Thijsbuurs os

Justus van Effen (1684-1735)

In de 18e eeuw stillen mensen hun honger naar kennis door middel van tijdschriften. In de Verlichting zijn tijdschriften didactisch-moralistisch: leerzaam, maar ook opvoedend. In de spectatoriale geschriften in de 18e eeuw staan stukken over allerlei onderwerpen, zoals wetenschap, kunst en religie. Veel artikelen hebben de vorm van een verhaal, zoals het onderstaande ‘Thijsbuurs os’. Justus van Effen startte in 1731 De Hollandse Spectator, in het Nederlands, wat destijds bijzonder was omdat er voornamelijk in het Frans werd geschreven.

Lees hier meer over Van Effen en de Hollandse Spectator.

Fragment uit Thijsbuurs os (tweede deel van het verhaal)

**Toe nou den dag gekomen was, daar ik zo na verlangt had dat ik ‘t niet zeggen en kan, had ik de heele nagt geen oog kunnen toedoen, en toe het nog pikdonker was, en eer de drommel zen schoenen an had, tee ik al op een pad, om zelfs de koe uit de wei, die een goed uur van hier is, te gaan halen, en hoewel ze eerst teugen den avond kon geslagen worden, was ze voor thienen al aan men stoep vast gebonden. Na dat ik een klokje voor de vermoeitheid en kou genomen had versleet ik den ganschen ogtend met over men onderdeur met een pypje in de mond te leggen, en ‘t beesje te beschouwen, als of ik ‘t zo levendig op wou eeten, behalven dat ik wel hondert maal op straat ging om het op nieuws te betasten, ‘t zelfde wierd gedaan van alle de buurlui, waar van de meeste zeer voldaan scheenen, hoewel zommige met een vies bakkes, en een schuddende kop heen gingen, dog dat waren maar nydige schurken die ik groote lust had, om de waarheid te zeggen, een klap voor haar smoel te geven. Honderden van kinderen vergaderden mee rontom ons koetje, en als ze tegens malkander zeyen: kyk eens jonge, dat ‘s Thysbuurs Os, ja wel, dan voelde ik in men zelven zo een’ aangename hoverdy, en zo een vreugd, dat het was of me ‘t hart in ‘t lyf opsprong. Ik gunde me ‘s middags haast de tyd niet om te eten, in een paar minuten had ik ‘t maal binnen, en zo aanstonds weer op men post; te half vyf moesten de slagters komen, volgens belofte; Ik telde ieder kwartier uurs, en had ik en orlosi gehad, ‘t zou altyd in myn handen zyn geweest; Ik verlangde meer, kan ik je zeggen, na dat gelukkig ogenblik, als om, toen ik den bruigom was, met men vrouw na bed te gaan; Trouwens, tusschen jou en myn, ‘t nieuwtje was ‘er toe al wat of, maar dat gebeurt de beste wel. Toen ‘t vier uuren was geslagen, en den baas, en de andere buurman al gekomen waren, ging ik ieder ogenblik kyken op den hoek van onze straat, en as ik maar van verre iets blauws zag, beelde ik my in dat zy lui het waren. Eindelyk daar kommenze an. Toe begon men hart me te popelen; maar ik nam weer een goeje klok, zo dat, toe het beest binnen gebrogt wierd, ik al een halve brui weg had. Toe most je m’eens hebben zien triompheren; ‘t Is waar, hoe meer kykers in zulke occasie hoe beter, maar evenwel boende ik ten huis uit al de jongens van de buren, daar ik een pik op heb en zy op myn; want dat mist zelde. Met duivels gewelt wou ik het beest zelfs kuisschen, en hoewel ‘t m’ of wierd geraden, wou ik ‘er niet van afstaan. Ze mosten me dan de byl geven, en ik nam ‘t koetje zo gewis, dat het beest aan d’eene kant en ik aan d’ander teugens de grond bruiden. Maar hoewel ik me mit de byl wat bezeert had an me linker been, was ik weer op as een vink, en ik ging mee op het beest zitten, dat nog geweldig lag te spartelen. Toen ze aan ‘t villen gingen vatte ik mee een enkje kaars om ‘er mit aandagtigheid na te kyken, en toen ze ‘er de huid zo al wat of hadden, hoorde ik met een onbeschryfelyke vreugd, dat een van de slagters zei, dat doet zig maar heerlyk op, en zo ‘t overal zo is, zo is ‘t het puikje van de heele stad; ja wel toen ik dat hoorde was heel Leyje me te nauw. Maar ‘t was wel wat anders te zeggen, toe’ t opgehakt wierd, waar men ‘t voelde ‘t was overal even dik, en Nierbedden, Nierbedden, geen schilder kon ze beter schilderen; Je leven heb je zo’n gejuig niet gehoord, als ‘er was onder de kykers; maar daar was ‘er een die dat groot beest gekogt had, daar ik je van gezeid heb, en dat een Kalf in had gehad, en zo mager was als brood, die zag het met een scheel oog aan, en die vroeg met een opgeschorte neus of het smeer wel sestig pond halen zou. Zestig pond zei ik ‘er op, zo fier als een Leeuw ik hou je een paar stoop jenever, op vyf en seuventig. ‘t Is gedaan zei hy zo, en nam al de omstanders tot getuigen.

Toe het aan den balk hong was ‘er weer een gek, die wou wedden om ‘t zelfde, dat het zo as het daar was, niet boven de vyf hondert pond zou wegen; ik hiel het weer, om dat een van de slagers men eens toeknikte, en ik wist wel wat dat zeggen wou. Onderwyl wierd ‘t beest schoon begoten, en ik heb van men dagen geen beter pret gehad. De volgende nagt droomde ik dat ik in een kamer was rontom behangen met vette ossen en verkens, onder dewelken ik men wyf mee zag; maar ik was zo verheugd, dat die beesten myn allegaar toehoorden, dat ik ‘er in ‘t minst niet gevoelig over was. ‘s Anderen daags kwamen nog wel hondert menschen kyken, die ieder ook een klok moesten hebben, zo dat ik tegens de middag ‘t spek al weer weg had. ‘t Zou onredelyk geweest hebben, dat ik dien dag weer aan ‘t werk was gegaan, te meer dewyl wegens het koel weer het beest ‘s avonds zou afgehakt worden, en ik ‘er noodzakelyk by moest wezen, wegens de weddenschappen. De Nierbedden wierden voor eerst, volgens de gewoonte uit het beest gedaan, en tot myn ongeloofelyke vergenoeging woeg het heele smeer zo net as een gedagten zes en zeuventig pond, en schaars twee loot. Den ander wou staande houden, dat hy op de Nierbedden maar alleen gewet had, maar ik liet me zo niet foppen, en pretendeerde dat de krans &c. ook by ‘t smeer moest gerekend worden, daar ieder me gelyk in gaf, zo dat ik dat vooreerst won, en onze buurman gedwongen was ‘t geld, terwyl hy nog braaf uitgejouwt wierd, ‘er by op te dokken, en in een darde hand over te geven. Wat het gewigt van ‘t beest aangaat, dat won ik al mee en zelfs, wanneer we om de keur van de voet uitstaken, ging het me al weer na wensch, zo dat alles zodanig mit me veur de wind liep, dat ik men geluk voor geen keuninkryk zou geruilt hebben. ‘s Anderen daags wou men wyf me weer na de winkel hebben, en men baas zelf stuurde om me, om dat ‘er rouwwerk was gekomen; Maar daar kon ummers niet ingetreden worden, en, gelyk de studenten zeggen, dat deejen in zoon geval de ouwe Romeinen ‘er leven niet. De verloore jenever moest zekerlyk gedronken worden en die smaakte zo wel, dat ‘er botje by botje, nog al eenige andere kannetjes door ‘t keelgat liepen. ‘t Mogt ‘er ook op staan, want een Schoolmeester van de buurt had uitgereekend, dat het vleesch, dat zo deurwassen was, als of het gemarmeld was geweest, ons pas seuven oortjes ‘t pond zou kosten, en nouw om dat ik deze hele week in de zuizing ben gebleven, en niet een steek gewerkt heb, komt men wyf en maakt en leven of ze bezeten is, ‘t vleesch, zeid de zottin, komt ons duurder te staan als of we ‘t in de hal gekogt hadden; want, zeid ze zo, zes gulden van de week verzuimt, en ruim vier aan drank geconsumeert, dat maakt tien; en op weinig na de helft van ‘t geen de voet ons gekost heeft. ‘t Is ummers of de vrouwluiden de duivel in hebben, dat ze nooit vernoegt kunnen wezen. Want dat ik verzuimt en verteert heb, dat is althans ‘t beest zen schuld niet, dat ummers op allerlei manieren, boven wensch gelukt is. Ze rekend voor niet al ‘t pleizier dat ik ‘er van gehad heb, de eer, die ik ‘er deur heb behaalt, en wat al respect de heele waereld voor me getoont heeft, gelyk ook de spyt van onze afgunstige buren; Ze durft evel zeggen, dat ze wouw dat ik met het beest aan de galg hong. Nouw wat my aangaat, dat heb ik meer van ‘er gehoord, maar ‘t beest zyn repetatie moetze ongeschonde laten. Zo j’er zulke parten niet uit de kop praat, zel ik z’er met een endje houts uitkloppen, en om ‘er te bruyen, nog een heele week geen hand aan ‘t werk steken, en me alle dagen vol zuipen; want het beest geeft me overal crediet.

Uit: De Hollandsche Spectator, No. 117. Den 8. December 1732. 

Print Friendly