Sara Burgerhart

Samenvatting van Sara Burgerhart (1782)

Sara Burgerhart is een wees, die na de dood van haar moeder in de kost gekomen is bij haar voogdes, Suzanna Hofland, een oudere zuster van haar moeder. Haar andere voogd is Abraham Blankaart, een vriend van wijlen haar vader. Tante Hofland is een ‘geveinsde, inhalige feeks’, die haar nichtje uitbuit; zij behoort tot de ‘fijnen’, houdt ‘oefeningen’ met een stelletje kwezels als de huichelachtige en gemene Cornelia Slimpslamp en de sluwe, klaplopende broeder Benjamin. Hun ‘fijnheid’ weerhoudt hen er niet van later samen Tante Hofland, hun ‘zuster!’ te bestelen. Saartje heeft er drie jaar lang een ellendig leven: zij moet gekleed gaan als een kwakerinnetje, mag niet klavier spelen, moet allerlei vervelend huishoudelijk werk doen en ‘malle’ boeken lezen. Bovendien krijgt zij amper genoeg eten. Zij klaagt dan haar nood aan haar voogd Blankaart, want dit leven is voor de opgewekte en levenslustige Saartje niet vol te houden. Blankaart is dan voor zaken in Parijs. Saartje wil naar een ander kosthuis, maar oom raadt haar aan: ‘Doe dezen stap echter niet, dan in den dringendsten nood.’ Een vroegere vriendin, Alette Brunier (Letje), raadt haar aan in haar kosthuis te komen wonen, dat van de weduwe Spilgoed-Buigzaam, een levenswijze vrouw, die graag als een moeder voor de jongedames die bij haar wonen, wil zorgen. Haar eigen leven is een waarschuwing voor de meisjes, want zij heeft een ongelukkig huwelijk gehad met Spilgoed, die hun beider vermogen erdoor gejaagd heeft.

Saartje ziet kans de oude meid Brecht, die behoorlijk aan de ‘fep’ (drank) is, naar de kelder te loodsen om een fles wijn te halen, die zij op de gezondheid van de dan afwezige tante zullen drinken. Zij doet de deur op slot en vlucht naar het huis van de weduwe Spilgoed.

Daar heerst een heel andere sfeer. Letje is eveneens wees; zij heeft een vrolijk maar luchthartig karakter. Dan zijn er nog Charlotte Rien-du-tout (Lotje), een alleszins onbeduidend wezentje en Cornelia Hartog, de geëmancipeerde femme savante. Suzanne Hofland is woedend over het gebeurde en eist van Blankaart het volle geld, f 700,- per jaar, totdat het meisje, dat zij overgeeft aan de duivel, ‘wiens livrei Sara toch al draagt’, trouwt of vijfentwintig wordt. Blankaart leest ‘de oude meerkat’ geducht de les.

Saartje heeft het intussen goed naar de zin. Oom Blankaart schenkt haar f 1000,- zodat zij zich eens in de kleren kan steken zoals zij zelf wil en zij zich in ‘ordentelijke gezelschappen’ kan vertonen. Zij geniet van haar jeugd en haar vrijheid, waarover ze dikwijls schrijft aan haar beste vriendin Anna Willis. Die heft haar vermanende vinger nog wel eens op, overtuigd als zij is van eigen braafheid. Saartje laat zoiets niet op zich zitten en schrijft vrij vinnig terug, waardoor aan de vriendschap een einde komt. Gelukkig wordt de breuk weldra weer gelijmd. Cats zei immers al: ‘Alschoon goê vrienden kijven, / Zij zullen vrienden blijven.’

Saartje ontmoet in die ‘ordentelijke gezelschappen’ nogal wat jongemannen: een broer van Anna, Willem Willis, die verliefd wordt op Saartje. De moeder, de weduwe Willis-van Zon, ziet heel goed in, dat Saartje geen partij voor haar Willem is: Willem zou door Saartje geleid worden en hij heeft geen geld ‘dat bij het hare genoemd kan worden’. Dan is er Jacob Brunier (Cootje), een broer van Letje, ook een gegadigde voor een huwelijk met Saartje, maar dit modegekje is alleen geschikt om de dametjes overal te brengen ‘waar de etiquette niet toelaat zonder chapeau te verschijnen’ en om voor haar boodschappen te doen.

Illustratie uit 'Sara Burgerhart'

Illustratie uit ‘Sara Burgerhart’

Een derde kandidaat is Hendrik Edeling, uit een rijke koopmansfamilie, ‘een onzer allerbeste jongelieden’, een ‘braaf en verstandig man’. Dat is iemand die niet alleen haar liefde, maar ook haar achting waardig kan zijn, die in staat is haar te leiden. Maar Saartje denkt nog niet aan trouwen. Bovendien is er een probleem: Hendriks vader eist dat zijn zoon trouwt met een meisje van Luthersen huize en Sara is lid van de ‘Publieke’ kerk (de gereformeerde). Van zijn intelligentie geeft Hendrik blijk in de zwaarwichtige gesprekken met Cornelia Hartog. Ondanks haar onafhankelijkheid wordt Cornelia verliefd op Hendrik. Uit jaloezie schrijft zij een voor Saartje lasterlijke, anonieme brief aan Blankaart. Zij wordt echter ontmaskerd en verdwijnt. (Volgens de Narede van het boek schrijft zij later samen met haar vriendin, de freule Van Kwastama, nog een menigte prullen tegen de godsdienst en het gezond verstand, maar die zijn zo afgrijselijk geleerd dat ze weinig lezers vinden, ‘omdat er het vergif niet een weinig in gesuikerd is’.) Hendrik heeft zijn vader ingelicht over zijn liefde voor Saartje, maar de oude heer Edeling staat nog op het standpunt dat Hendrik een Lutherse vrouw moet hebben.

Dan maakt Saartje kennis met de heer R., die door haar gekenschetst wordt als ‘een zeer fatsoenlijk, rijk heer, van ruim dertig jaar, die haar zijne heerlijke bibliotheek ten gebruike heeft aangeboden’. Welk een sujet deze heer R. is, leren wij het beste uit zijn brieven aan de heer G., zijn vriend Jan. De weduwe Spilgoed heeft hem spoedig door: ‘In zijn oogopslag is iets dat loos, listig is en niets dat open en vrij is.’ Saartje begaat de domheid deze heer R. op zijn buitenplaats buiten de Muiderpoort op te zoeken om daar in de Hortus Medicus een of ander vreemd gewas te zien. De lichtmis denkt zijn ‘Sultane Favorite in zijn serail te plaatsen’. Hij moet haar even verlaten, omdat zijn renpaarden in de leidsels verward zijn geraakt. De tuinmansdochter Klaartje bevrijdt Sara en weet haar te verbergen. Pas de volgende morgen keert zij, ongedeerd maar ziek van wat zij beleefd heeft, bij de weduwe Spilgoed terug. Heel uitvoerig schrijft ze Hendrik wat haar overkomen is, want ‘hij moet kunnen zien wie ik ben: een onvoorzichtig meisje, dat geen kwaad vermoedde, daar zij ‘t niet zag, en die door haren trek tot vermaak en uitspanningen zich in een gevaar gebracht heeft, dat op haar bederf konde zijn uitgelopen’.

Als Blankaart in Holland terugkomt, keert veel zich ten goede. De weduwe Spilgoed krijgt ‘toevallig’ een erfenis, die haar in staat stelt later met de weduwe Willis te gaan samenwonen, als de jongelui de deur uit zijn. (Denk aan de samenwoning van de schrijfsters.) Blankaart treedt als een vader voor Willem op, is de tussenpersoon om hem aan Letje Brunier te helpen en brengt hem ook zakelijk goed vooruit. Blankaart wijdt zich ook aan de belangen van Cootje en denkt erover nog eens een vrijster voor hem ‘op te schommelen’. De intimi, de weduwe Spilgoed, Blankaart en Hendrik zijn overtuigd van de onschuld van Saartje in de affaire R. en als de heer Blankaart eens met vader Edeling gepraat heeft, waarbij Blankaart naar voren gebracht heeft, dat de jongelui hetzelfde ‘fondamentele stuk van eenigheid’ belijden, namelijk dat zij met elkaar gelukkig kunnen worden, geeft de vader toe. Niets staat nu meer het huwelijk van Hendrik en Saartje in de weg en de geliefden vormen een gelukkig paar.

In de Narede lezen wij nog hoe het met de belangrijkste personen verder verloopt. Blankaart blijft de liefde en lust van allen die hem kennen en gaat voort met wel-doen. Vaak bezoekt hij de dames Willis en Spilgoed op hun eenvoudig buitentje. Anna Willis is getrouwd met de predikant Smit. Zij zorgt voor een talrijk kroost.

Opmerkingen

In de Voorrede aan de ‘Nederlandsche Juffers’ geven de schrijfsters het doel van hun werk aan. Zij willen aantonen ‘dat eene overmaat van levendigheid, en eene daaruit ontstaande sterke drift tot verstrooyende vermaken, door de Mode en de Luxe gewettigt, de beste Meisjes meermaal in gevaar brengen, om haar in de allerdroevigste rampen te storten, die haar veracht maken bij zulken, die nimmer in staat zijn, om haar in goedheid des harten en zedelijke volkomendheid gelijk te worden’. Om die reden is het ook ‘een onschatbaar voordeel voor Jonge Meisjes, onder de bescherming te komen van zulke Vrouwen, die voorzichtigheid aan minzaamheid en goedhartigheid aan eene beredeneerde onverzettelijkheid verbinden’.

Hun roman is bestemd voor ‘den Meridiaan des Huisselijken levens’, zonder wonderbaarlijke dingen, maar alles in het natuurlijke. Het moest een echt-Hollandse roman worden, waarin geen plaats was voor grote tragische momenten of verschrikkelijke gebeurtenissen, zoals die in de Franse en Engelse romans – die hier veel gelezen werden – voorkwamen. Maar de vorm van het boek is wel aan het buitenland ontleend: de dames hebben naar het model van de romans-in-briefvorm van de Engelse schrijver Richardson gewerkt. Deze Hollandse roman is een zedenroman geworden, een onmiskenbaar historisch document, waaruit de achttiende eeuw duidelijk voor ons oprijst. Het realisme in de brieven brengt ons deze eeuw heel dichtbij. Op één facet willen wij hier wijzen: de handelingen en het zieleleven van de mens werden in die tijd nog maar weinig door het individu zelf bepaald.

Het zoeken en vinden van een levenspartner is omgeven door vele conventies. Bemoeienis van familieleden en vrienden, zelfs van mensen die er maar zijdelings bij betrokken waren, was destijds gewoon. Als gevolg hiervan wordt de hoofdpersoon Saartje ons niet getekend in haar psychologische diepte, die aanwezig was in dit pientere, levenslustige, maar ook gevoelige meisje, dat juist zo graag aan die conventionele instellingen wilde ontvluchten, maar dat zij naar voren komt in een zekere vlakheid, een volstrektheid in karakter, waarin voor schakering geen plaats is. Ook Blankaart met zijn rondborstigheid en sterke wilskracht blijft zo een type: een rechtlijnig iemand, die hulpvaardig voor iedereen altijd door de daad een oplossing vindt. Ditzelfde geldt voor de andere figuren uit dit boek. Hun namen geven voldoende aan welke typen zij voorstellen.

Hoewel het boek dus dramatische kracht en essentiële probleemstelling mist, boeit het ons toch. De grote verscheidenheid aan taferelen en de pittige stijl, aangepast aan de verschillende typen, waarbij de schrijfsters wel eens gebruik maken van een woordelijk verslag in dialoogvorm, wat in echte brieven niet zo gemakkelijk zal gebeuren, houden onze aandacht gespannen.

Enkele denkbeelden uit de tijd van de schrijfsters, die wij in haar boek terugvinden zijn: een christendom van de daad, waarin verdraagzaamheid een grote plaats inneemt. Leerstelligheid is uit den boze. De zedepreken en het verhalen van hun levensloop door de oudere dames brengen ons de achttiende-eeuwse stelregel ‘Kennis is Deugd’ in de gedachte. Wie het goede kent, doet het goede ook! Het beredeneren van hun daden is een trek van alle figuren, een duidelijk symptoom van het rationalisme met zijn groot vertrouwen in de macht van de menselijke rede.

Print Friendly