Lodewijk van Deyssel: Een liefde

Een liefde van Lodewijk van Deyssel was een omstreden roman. Na het verschijnen van de eerste druk in 1887 kreeg Van Deyssel veel kritiek, zelfs van zijn collega-schrijvers bij De nieuwe gids, die toch verandering en vernieuwing in de kunsten voorstonden. Van Deyssel is het niet eens met de kritiek op zijn roman, maar schrapt voor de tweede druk toch enkele passages die teveel ophef veroorzaken.

Wat hield die kritiek nu in? Van Deyssel beschrijft in Een liefde het huwelijk van Mathilde en Jozef. Je kunt de roman in verband brengen met het naturalisme: de lezer krijgt een kijkje in de hoofden van  de personages om zo hun ideeën, gevoelens en lusten te leren kennen. Het huwelijk van Mathilde en Jozef is niet gelukkig en Mathilde raakt in een innerlijke crisis. In de roman beschrijft Van Deyssel ideeën en gevoelens die tot dan toe nauwelijks in romans werden beschreven. De meest opzienbarende passage is die in het dertiende hoofdstuk waarin Mathilde zichzelf bevredigt. Zelfbevrediging was destijds geen onderwerp waarover in nette boeken openlijk werd geschreven – zelfbevrediging door een vrouw was al helemaal taboe.

Hoe expliciet waren die beschrijvingen van Van Deyssel eigenlijk, konden ze echt niet door de beugel? Lees hieronder een belangrijk fragment uit dat beruchte dertiende hoofdstuk dat Van Deyssel moest schrappen. Pas veel later is de passage weer opgenomen in de roman. Bij het lezen zal je opvallen dat de beschrijvingen zeer bloemrijk zijn: Van Deyssel gebruikt veel bijvoeglijk naamwoorden, zintuiglijke beschrijvingen en neologismen. Een mooi voorbeeld van woordkunst.

O, het was een feest van lichten. De witte muur van het huis, éen staande vlakte van hellicht, samengedrukt door de daling van het goud-bruine daklicht, perste zich in-éen en smeet het hevige zonne-weêrlicht uit de ruiten met de klaterkaatsingen der witte muurvakken neêr tegen den groenen grond, tegen de iepen-stammen, door de openheden tusschen de stammen, verder over den weg. Mathildes oogen bedroomden het huis, zoo als het opstond in zijn lichting, in zijn heerlijkheid van wit, tot vastheid opgerezen hittelicht, zij geloofde in het huis, zoo als het glansde hoog en breed. En het grasveld helde op naar het huis, een spreidsel van zacht groen licht, doorstikt met de teeder fonkelende steenen der roode bloemen, maar dat steeg in zijn breedheid, sidderend gespannen, schemeringen van lichter groen in de hoogte ademend. Op hun zuilen van bruin licht waren de milioenen groene vlammetjes der iepenblâren ontstoken, en in de bevende licht-zee boven het grasveld, waadde Mathilde, met drooge dwaas-verglansde oogen.

Maar zij keek naar boven, en het viel op haar als een tintelende sneeuw van verrukking. Al het wit was ingeslurpt door het blakende, daverende hemelblauw, dat gloeyend glinsterde in neêrwarrelingen van zwart-goud-poeyering en als een ziedende zee met donkere blauwbulten en lichtere blauwheffingen, daalde en steeg, daalde, daalde, zijn zonnevlakten neêrbreedend om den hettenden vuurkolom van de stortende zon, die een regen van bliksems losstookte over de schroeyend-vermoorde uitstrekking der zich openwentelende en heenspreidende tuinvlakten. Breede slangen laayend blauw wimpelden af van de lucht, in een foltering van blauw tusschen het schuin wegkrimpend boomengroen zijgend, goud-blauw over de buitenste bladeren brandend, een doffe krijt-goud-gloed over de midden-bladeren drukkend, in gouden grillen windtrillend, vonkend, spuitend, uitspruitend, neêrsprietend, heensprankend om de hijgende takjes, bosjes gouden naalden schietend in de diep-groene boomenharten. Zware afblauwsels goudden neêr over het dak, over de boomen en heesterhoogten in de verte, van alle zijden naderend en zich rond neêrdrukkend in éen vlammende vuurschittering. Golvenwolken van witte hitte zwalkten door de ruimten, tusschen de openingen glijend en voort stoomdwarrelend in de verheid. En het werd gedragen door alle lagen der ruimte, in éen begeestering van heete kleuren, éen vervlamming van het heete leven, en Mathilde voelde haar juichende jeugdvleesch onder haar kleêren beven, en in haar gouden weten. dat haar vleesch gelukkig zou zijn, werd zij getrokken naar de groensombering der warande.

Verbijsterd in haar snikkende bedwelming, vroeg zij wat het was. Wat was die gouden lichtruimte voor haar uit? En al de takken, die naar haar heen reikten? En al die verdere plannen van bleekere lichtstrekking en kleurenstand voor haar uit? De kleine gezichteinders waren samengebakken en smolten zich vast aan den hemel. Zij was in een groote zaal vol vreemd leven, vol rare vervoerende dingen. Er waren geen menschen bij haar, achter haar. Niets was achter haar, geen stemmen, geen gerucht. Zij wist van geen verleden, van geen vroegere gedachte; haar leven was dit oogenblik. Zij wist van geen afstand en ruimte; de eenige wereld was hier bij haar. Langzaam, terwijl alle kleuren vonkten en naderden naar haar oogen, loste haar bewustzijn zich op in de lichtkrachten die kleursidderden over haar heen. Haar leden zonken samen, achter tegen haar stoel Zij zag wel, door de verblinding, die over haar gezicht was neêrgeschitterd heen, dat de blauwe lucht was losgebarsten en er kokende stroomen gloeyend goud gudsten over de vlakte, klotsend op haar toe. En verder, in de rondte, hagelslingerden gouden vonkenvlagen neer over de wechbleekende groenheden, botsgolvend tot elkaâr, opzwiepend naar haar hoofd, neêrzijpelend door haar maag, haar buik, om haar beenen. Hoog stormden de iepen hun vrachten vlas-groene dronkenschap op tegen de neêrbruisende gouding, de bruingouden stammen, los en week, gloeiden op en neêr, als zuilen van vloeyend goud hun lijven hoog en laag kristallend door de ruimte. De bloemen kleurden door het vuur, vliegend, schietend, hoog in de lucht, laag op den grond.

Mathilde voelde zich heffen en zich wechgaan, heengedragen door de kleurenverbijstering. Haar oogen doofden uit. Eén even ontstaken zij weêr. Toen zag zij alles met wit-krullende wit-blauwe gazen en vlekken glans-blauw beneveld. Haar beenen krompen samen omhoog, haar buik huiverde terug. Haar schrikkende handen grepen naar haar geslachtsdeel. Het slijm sapte uit haar openzijgenden mond, heete trillingen ijlden in haar achterhoofd, haar geslachtsdeel spoog zijn wellustvocht in het stijve stugge hemd. Haar oogen snikten hun heete tranen uit, die als zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden.

En langzaam sliep zij in met een openhangenden mond. De zomerhitte verdroogde haar verhemelte en tintelde over haar bovenhoofd.

Lodewijk van Deyssel
Uit: Een liefde (1887)

Print Friendly