De kleine Johannes: De geschiedenis van een jongen meikever

Johannes ontmoet Windekind (tekening van Beatrix Whistler).

Het verhaal van de jonge meikever, uit het derde hoofdstuk van De kleine Johannes van Frederik van Eeden (1892).

‘Windekind,’ zeide Johannes onder het zweven, ‘ik houd zooveel van u. Ik geloof dat ik alle menschen voor u zou willen geven en Presto ook.’
Windekind zeide: ‘en Simon?’
‘O, het kan Simon niet zooveel schelen, of ik van hem houd. Ik geloof, dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de vischvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Gelooft ge, dat Simon een gewone kat is, Windekind?’
‘Neen, hij is vroeger een mensen geweest.’
Hoe-oe-oe! boms! – daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan.
‘Kunt gij niet beter voor u uitkijken,’ bromde de meikever – ‘dat elfengoed vliegt maar, alsof het de heele lucht in pacht had! Dat heb je van die nietsdoeners, die altijd maar voor hun pleizier rondzwerven, – iemand als ik, die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zoo hard eet, als hij kan, wordt er door uit de koers gebracht.’
Onder luid gebrom vloog hij verder.
‘Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?’ vroeg Johannes.
‘Ja, dat is zoo meikever-gewoonte, Bij de meikevers wordt het als hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Wil ik u eens de geschiedenis van een jongen meikever vertellen.’
‘Ja, doe dat, Windekind.’
‘Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit den grond was gekropen, Nu, dat was een groote verrassing. Een geheel jaar had hij onder de donkere aarde gezeten en gewacht op den eersten warmen avond. En toen hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende gras en de zingende vogels hem geheel in verlegenheid. Hij wist niet, wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn soort, had glanzige, zwarte pooten, een dik, bestoven achterlijf en een borstschild, dat als een spiegel glom. – Gelukkig zag hij al gauw, niet ver van hem van daan, een anderen meikever, wel niet zoo ‘n mooie, maar een die al een dag vroeger was uitgevlogen en dus al heel oud was, Heel bescheiden, omdat hij nog zoo jong was, roept hij dezen aan.
‘Wat wou je, vriendje!’ zegt de tweede uit de hoogte omdat hij zag, dat het een nieuweling was, ‘wou je mij den weg vragen?’
‘Neen, ziet u!’ zeide de jongste beleefd, ‘maar ik weet niet, wat ik hier doen moet. Wat doet men zoo als meikever?’
‘Zoo! zoo!’ zeide de ander, ‘weet je dat niet. Nu, dat neem ik niet kwalijk, ik ben óók zoo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je zeggen. De hoofdzaak in het meikever-leven is eten. Niet ver hier van daan is een kostelijke lindehaag, die is daar om zoo vlijtig mogelijk van te eten.’
‘Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?’ vroeg de jonge kever.
‘Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent, Iederen morgen komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij tot zich, in een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar alle meikevers gelukkig bijeen zijn. Wie echter, in plaats van te eten, den ganschen nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen.’
‘Wie is dat?’ vroeg de nieuweling.
‘Dat is een vreeselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet.’ Toen de kever dat zeide, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hun door merg en been drong. ‘Hu! dat is hij,’ riep de oudste. ‘Pas op voor hem, jonge vriend. Wees dankbaar dat ik je bijtijds heb gewaarschuwd. Je hebt een ganschen nacht voor je, verknoei dien nu niet. Hoe minder je eet, hoe meer kans je hebt door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere schijnsel. Denk er om!
Een ernstige roeping!’
Toen scharrelde de kever, die een geheelen dag ouder was, tusschen de grashalmen verder en liet den eersten getroffen achter. Weet je wat een roeping is, Johannes? Niet? Nu, dat wist die jonge kever ook niet, Het stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die lindenhaag komen?
Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm, die zachtjes wiegelde in den avondwind. Dien pakte hij maar vast beet, met zijn zes kromme pootjes. Het scheen een hoog gevaarte van beneden gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in. ‘Dat is een roeping!’ dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, – dikwijls gleed hij terug, – maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje was geklommen en mede wiegelde met de schommelingen, voelde hij zich voldaan en gelukkig. Welk een uitzicht had hij hier! Het scheen hem, alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zoo van alle kanten door lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk werd het hem daarbij te moede! Nog hooger wilde hij!
Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels even trillen. – Hooger wilde hij! hooger! – weer trilden zijn vleugels – de pooten lieten den grashalm los en – O, vreugde… Hoe-oe-oe! – daar vloog hij – vrij en vroolijk in de stille, warme avondlucht.’ –
‘En toen?’ vroeg Johannes.
‘Het vervolg is niet vroolijk, Dat vertel ik u later wel eens.’

Print Friendly