Preek van Francois HaverSchmidt

Dit is een preek uit 1893 (nummer 11), de laatste preek die Haverschmidt gehouden heeft. Kort daarop, in begin juli, kwam de volledige instorting.

Aanvankelijk als kind waart gij mogelijk in uw voorstelling tamelijk dichtbij Hem. Hij was in de hemel en gij waart op aarde, doch die afstand betekende voor u zo heel veel niet. Hij zag u toch wel en hoorde u, en als Hij wilde, behoefde Hij zijn hand om zo te zeggen maar uit te strekken en Hij kon u bereiken. Doch later – de wereld werd voor u al groter en groter. De hemel boven u verwijderde zich steeds verder en eindelijk om de waarheid te spreken – schoot er niets meer van over.
Dat Goddelijk oog dat op u rustte, wat werd het meer dan beeldspraak? En die alles bestierende hand, nou ja, gij loochent haar niet rechtstreeks, maar van haar ingrijpen in de loop der gebeurtenissen, gelijk in uw eigen lot, ge bespeurt er langer niets van. Alles bleek u het noodzakelijk gevolg van dikwijls zeer kleine oorzaken, die onvermijdelijk voortvloeiden uit andere die eraan voorafgingen. En ook waar uw onderzoek die samenhang niet kon nagaan, zaagt ge u wel verplicht hem te vermoeden. En nu wilt ge nog wel aannemen dat zich in dit groot verband, waardoor alles is samengesteld en waardoor ook gij en al het uwe met het overige zijt ineengeweven, orde, regelmaat niet slechts, maar ook geest, wijsheid, doel, een groots en edel doel en dus – als men het zo wil – liefde heerst, maar behalve dat ge niet begrijpt hoe daarmee zoveel treurigs en afschuwelijks valt overeen te brengen, zoveel zonden en ellende als gij in en om u heenziet – deze orde, deze wijsheid, deze liefde, ze zijn toch niet van die aard, dat zij u zoiets als een persoonlijke wederliefde kunnen inboezemen. Ach ja, toen ge nog klein waart, kondt ge zo vertrouwelijk de handen vouwen en bidden: ‘Onze Vader!’ Maar thans? Gij wildet dat ge het nog kondt, maar – gij kunt het niet recht meer. Soms als ge het nog eens beproeft, ontzinkt u de moed of hoe moet ik het noemen? Want is het ook geen moed om het zich eerlijk te bekennen: ‘Ik kan niet, ik mag niet, want ik geloof het niet meer.’

(Uit: R. Nieuwenhuys, De dominee en zijn worgengel. Van en over François Haverschmidt. Preken, voordrachten, brieven en andere documenten.
Van Oorschot, Amsterdam 1964)

Print Friendly