Max Havelaar: samenvatting

(Samenvatting van Max Havelaar uit: Eep Francken, Lexicon van Literaire Werken.)

Hoofdstuk 1

‘Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriersgracht 37.’ Met deze zin begint een zakenman zich aan de lezer voor te stellen. Hij noemt zich een man van ‘waarheid en verstand’, zijn voornaam is Batavus, zijn firma heet Last & Co en zijn zaken gaan prima. Dat hij nu een boek schrijft, is uitzonderlijk: van romans, poëzie en toneel moet hij anders niets hebben, omdat die volgens hem berusten op leugen. Liefde voor de waarheid en voor zijn koffiezaken staat bij hem centraal, naast het geloof natuurlijk.

Hoofdstuk 2

Een tijdje geleden heeft hij een oude klasgenoot teruggezien, die er sjofel bijliep: ondanks de kou droeg de man een sjaal in plaats van een winterjas. De koffiemakelaar blijkt Batavus Droogstoppel te heten.

Hoofdstuk 3

De volgende dag kreeg hij van dezelfde, van wie hij de naam uit kiesheid verzwijgt om hem verder honend Sjaalman te noemen, een brief en een groot pak, een bundel papieren die hem een indruk moest geven van wat Sjaalman geschreven heeft. Sjaalman is arm en wil dat Droogstoppel voor hem borg staat bij een uitgever. Op een gezellig avondje had Droogstoppels zoon Frits veel succes met een gedicht uit Sjaalmans pak.

Hoofdstuk 4

Tot Droogstoppels opwinding bleken er in het pak van Sjaalman ook stukken te zitten over koffie. Hij heeft allerlei uitstekende verhandelingen en opstellen gevonden en geeft zelfs een lijst van 147 zeer verschillende onderwerpen waarover Sjaalman geschreven heeft. Maar in het pak zat nog veel meer, ambtelijke brieven bijvoorbeeld. Droogstoppel begrijpt uit wat hij leest dat er groot gevaar dreigt voor de koffiemarkt, en zelfs voor de hele Nederlandse samenleving. Hij kan dat gevaar alleen bezweren door met Sjaalmans materiaal een boek te schrijven. Maar omdat schrijven zijn vak niet is, laat hij het eigenlijke werk voor het grootste deel over aan Ernest Stern, een Duitse jongen, sinds kort stagiair op zijn kantoor. Droogstoppel moet beloven dat hij in wat Stern schrijft niets zal veranderen.

Hoofdstuk 5

Minstens duizend mensen stonden aan de grens van de afdeling Lebak te wachten op de aankomst van een nieuwe assistent-resident. Eén ervan was de al bejaarde regent van Lebak, Radhen Adhipatti Karta Nata Negara. De assistent-resident is de hoogste Nederlandse ambtenaar in de afdeling. Drie tot vijf afdelingen vormen een residentie, met aan het hoofd een resident, die dan ook de directe chef is van de assistent-residenten. Boven hem staat de gouverneur-generaal, die Indië regeert in naam van de koning van Nederland. De regent is het inlandse hoofd dat met de assistent-resident samenwerkt en, zowel door zijn gezag bij de bevolking als door zijn kennis, voor hem onmisbaar is. Beiden zijn ambtenaar, maar de Europeaan, die uiteindelijk voor de gang van zaken de verantwoordelijkheid heeft, is het in alle opzichten; de regent, zijn ondergeschikte, moet zich aan de bevolking presenteren als een vorst.
Daarvoor is veel geld nodig. De bewoners zijn verplicht aan de regering bepaalde producten te leveren waaraan in Europa veel verdiend kan worden. De regenten steunen deze opzet en krijgen een aandeel in de opbrengst. De vergoeding aan de bevolking is minimaal, met hongersnood als gevolg.
Ook kan het hoofd volgens oude gewoonte willekeurig beschikken over de onderdaan en zijn eigendom. Deze gewoonte is onwettig, maar leeft bij de bevolking. De Europese ambtenaar moet onderscheiden tussen kleine vrijgevigheid die als sympathiek gebruik toegelaten of zelfs aangemoedigd moet worden, en al te winstgevende regelingen die als misbruik afkeuring verdienen. De regering vraagt van de assistent-resident de bevolking goed te beschermen, maar onderzoek naar misdaden van een regent is moeilijk, want niemand durft tegen hem te getuigen. Daarbij komt dat de regering niet houdt van ambtenaren die de kostbare samenwerking tussen het Nederlandse en het inlandse bestuur op het spel zetten door onberaden beschuldigingen.

Hoofdstuk 6

Onder de velen die op de nieuwe chef wachtten, was de controleur Verbrugge. Met de militaire commandant, Duclari, bepraatte hij het vroeger nogal opmerkelijke gedrag van Havelaar, hun nieuwe assistent-resident. Maar die had in elk geval een goed hart, en zou dat goed kunnen gebruiken in Lebak, omdat de bevolking het er moeilijk had.
De reiswagen arriveerde. De resident stapte uit, een man van uiterste omzichtigheid die tussen zijn woorden lange pauzes liet vallen. Dan mevrouw Havelaar, niet schoon van uiterlijk maar met een gezicht dat de schoonheid van haar ziel liet zien. Haar zoontje, een jongetje van een jaar of drie, werd haar aangegeven door haar man, 35 jaar oud, die bij de deur bleef staan om de meegereisde baboe te helpen.
Havelaar was een ‘vat vol tegenstrydigheids’, een man die niet in een paar woorden te schetsen is. Hij kon scherp zijn, maar ook zacht; doorzag de moeilijkste vraagstukken, zonder altijd een oplossing te zien voor de eenvoudigste; verwaarloosde zijn meest nabijliggende plicht ter bestrijding van groter onrecht; droomde zich, echte dichter als hij was, een wereld aan hem onderworpen, maar kon zich ook richten op alledaagse, concrete zaken. In zijn woorden sprak diep gevoel, maar ook humor. Hij had veel ondervonden, maar was toch jeugdig gebleven.

Hoofdstuk 7

Havelaar liet Verbrugge meteen merken boe goed hij al op de hoogte was van de situatie in Lebak. De armoede deed hem in zekere zin plezier, want hij bestreed graag armoede. Nog dezelfde dag werd hij in Rangkas-Betoeng, de hoofdplaats, in zijn ambt bevestigd; hij zwoer daarbij, de bevolking te zullen beschermen tegen onderdrukking. Vanwege schulden moest hij zuinig leven, en vechten tegen zijn neiging altijd alles weg te geven.

Hoofdstuk 8

De volgende dag sprak Havelaar de hoofden van Lebak toe. In gloedvolle taal maakte hij ook hun duidelijk dat de slechte hoofdstuk toestand van hun afdeling hem bekend was en dat hij in vriendschap wilde samenwerken om verbetering te brengen. Na zijn redevoering besprak hij met Verbrugge het wangedrag van de oude regent, die te weinig verdiende om zijn stand te kunnen ophouden. De afgelopen nacht had Havelaar in het archief van zijn overleden voorganger Slotering ontdekt dat de regent misbruik had gemaakt van onbetaalde arbeid en geld en goederen van de bevolking had afgepakt. Slotering had geprobeerd op te treden; de regent was bij de resident geroepen, maar niemand durfde te getuigen, en de regent ging vrijuit. Hoewel Havelaar zich voornam de regent te helpen in zijn moeilijke positie, maakte hij Verbrugge toch ook duidelijk in elk geval aan het onrecht een eind te zullen maken.

Hoofdstuk 9

Droogstoppel maakt er bezwaar tegen dat in Lebak geen koffie wordt geplant. Als de grond ongeschikt is, kan men toch de inwoners van Lebak naar betere grond sturen? Hij beroept zich op een preek van dominee Wawelaar, die de Javanen tot God wil brengen door arbeid. Wie deze heidenen koffie laat telen, bezorgt ze daarmee dus meteen hun zaligheid.

Hoofdstuk 10

Droogstoppel vraagt Stern zich te richten op wat er aan degelijks zit in Sjaalmans pak, bijvoorbeeld op gegevens over koffie. Hij berispt Stern om zijn voordracht van romantische poëzie.

Hoofdstuk 11

Verbrugge en Duclari aten bij Havelaar en zijn vrouw Tine. Havelaar vertelde het verhaal over de Japanse steenhouwer die ontevreden is met zijn werk: daarom van een engel gelegenheid krijgt, te kiezen wat hij wil worden; desondanks steeds ontevreden blijft; na veel verandering opnieuw steenhouwer wordt en dan uiteindelijk tevreden is.

Hoofdstuk 12

Op verzoek van Verbrugge en Duclari vertelde Havelaar over treffende staaltjes van zijn verzet tegen generaal Vandamme, gouverneur aan Sumatra’s westkust, die hem geschorst had wegens tekorten in zijn kas.

Hoofdstuk 13

Havelaar vond dat hij ten onrechte geschorst was. Als jeugdig ambtenaar had hij opstanden voorkomen. Slordigheden in de boekhouding mochten daarom niet zó ernstig worden opgenomen. Vandamme had voor zijn vergaande besluit dan ook een achterliggende reden: hij voelde zich al eerder door Havelaar gedwarsboomd.

Hoofdstuk 14

Havelaar vertelde hoe hij het bij Vandamme had verkorven: hij had bezwaar gemaakt toen Vandamme zich schuldig maakte aan beïnvloeding van getuigen en had geweigerd de processen-verbaal te ondertekenen. Havelaar en zijn kleine gezin leefden prettig in Rangkas-Betoeng, al moest hij afzien van luxe, doordat hij geen geld had en evenmin de bevolking wilde laten werken zonder loon. Iets heel anders zat hem dwars: dat hij van de resident weinig hulp verwachtte bij zijn strijd tegen onrecht. Want men zegt dat de regering rijke hoofden nodig heeft maar daar niet voor wil betalen, en dus liever misdaad door de vingers ziet dan de salarissen te verhogen.

Hoofdstuk 15

Ook van Verbrugge was weinig te verwachten: hij was een goed mens, maar te bang. Maar Havelaars sympathie voor de oude regent was toch de voornaamste reden dat hij hem met zachtheid behandelde en hem zelfs persoonlijk hielp met geld.

Hoofdstuk 16

‘s Nachts kwamen de slachtoffers van de misdrijven bij Havelaar klagen; Havelaar onderzocht de zaken ter plaatse, dikwijls ook ‘s nachts, en willigde de klachten zoveel mogelijk in.
Maar dit was onvoldoende, zoals zal blijken uit de geschiedenis van de javaan Saidjah.
Droogstoppel is woedend over wat Stern allemaal schrijft, maar Stern luistert niet. Ook Frits staat onder de kwade invloed van het pak van Sjaalman. Dominee Wawelaar heeft aangetoond dat de gelovige altijd beloond wordt. Kijk maar naar de heidense Javanen: zij zijn arm en hun rijkdom vloeit naar Nederland, omdat Nederland christelijk is, helemaal volgens Gods wil. Maar Frits steekt de gek met Wawelaar.

Hoofdstuk 17

De geschiedenis van Saïdjah vertelt hoe Saïdjah in zijn liefde voor Adinda ten onder ging door het machtsmisbruik van de hoofden en het harde optreden van het Nederlandse leger. Dit verhaal is bedacht, maar toch representatief: dit verhaal over twéé mensen tekent de werkelijkheid van véél mensen.

Hoofdstuk 18

Havelaar hoorde van mevrouw Slotering dat haar man vanwege zijn verzet tegen de misbruiken waarschijnlijk was vergiftigd. Dit gaf bij hem de doorslag: hij klaagde de regent officieel aan. Om beïnvloeding van getuigen te voorkomen stelde hij meteen voor, de regent naar elders te sturen en leden van zijn familie te arresteren. De resident stuurde Havelaar hierop geen officieel antwoord, maar alleen een persoonlijke brief: niet als resident maar als de heer Slijmering. Hij beklaagde zich dat Havelaar de zaak niet eerst mondeling met hem had besproken.

Hoofdstuk 19

Slijmering kwam de volgende dag naar Rangkas-Betoeng. Hij vroeg Havelaar de aanklacht in te trekken of anders de getuigen op te roepen. Maar Havelaar wist dat dit tot niets zou leiden zolang de gevaarlijke regent in de buurt was, en wees Slijmerings voorstellen dus af. Slijmering wilde de zaak voorleggen aan de regering, waarmee Havelaar graag akkoord ging, want hij vertrouwde op de gouverneur-generaal.

Hoofdstuk 20

Maar de gouverneur-generaal keurde Havelaars aanpak af: zijn ondoordachte handelen paste een bestuursambtenaar niet. Te weinig had hij zich aangetrokken van zijn directe chef, de resident. Verwijdering van de regent zou een klap in het gezicht geweest zijn voor een verdienstelijk ambtenaar. Havelaar werd overgeplaatst, maar aanvaardde dat niet en nam zijn ontslag. Hij dacht de gouverneur-generaal in een gesprek alsnog te kunnen overtuigen en arriveerde in Batavia kort voordat die naar Nederland vertrok. Maar hij kreeg hem niet eens te spreken; een laatste vlammende brief aan de gouverneur-generaal bleef onbeantwoord.

Multatull ontneemt Stern en Droogstoppel tenslotte het woord. Als hij geen gehoor krijgt, zal hij zijn boek vertalen, ook in de talen van Indië, want iedereen moet weten dat de Javaan mishandeld wordt. Desnoods zal hij overgaan tot geweld, tot schade van de koffievellingen van de ‘Nederlandsche Handelmaatschappy’. Maar zo ver zal het niet komen, nu hij zijn boek in vertrouwen opdraagt aan Willem III: ‘Koning, Groothertog, Prins… meer dan Prins, Groothertog en Koning… Keizer van ‘t prachtig ryk van Insulinde dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd…’

Havelaar doolde arm en verlaten rond. Hy zocht…

Genoeg, myn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Ge zyt niet geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schryven. Ik heb u in ‘t leven geroepen… ik liet u komen van Hamburg… ik leerde u redelyk goed hollandsch schryven, in zeer korten tyd… ik liet u Louise Rosemeyer kussen, die in suiker doet… het is genoeg Stern, ge kunt gaan!

Die Sjaalman en zyn vrouw…

Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlyke femelary! Ik heb u geschapen… ge zyt opgegroeid tot een monster onder myn pen… ik walg van myn eigen maaksel: stik in koffi en verdwyn.

Ja, ik, Multatuli ‘die veel gedragen heb’ neem de pen op. Ik vraag geen verschooning voor den vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor ter bereiking van myn doel.
Dit doel is tweeledig:

Ik wilde in de eerste plaats het aanzyn geven aan iets dat als heilige poesaka zal kunnen bewaard worden door kleinen Max en zyn zusje, als hun ouders zullen zyn omgekomen van ellende.
Ik wilde aan die kinderen een adelbrief geven van myne hand.

En in de tweede plaats: ik wil gelezen worden.

(Bron: Multatuli, Max Havelaar of De koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy (ed. Mimi Douwes Dekker). Elsevier, Amsterdam 1900 (9de druk))

Print Friendly