Max Havelaar: reacties

Eduard Douwes Dekker schrijft op zijn zolderkamer in Brussel aan ‘Max Havelaar’.

Halverwege oktober 1859 was Eduard Douwes Dekker met zijn roman klaar. Toen moest er nog een uitgever gevonden worden. Douwes Dekker zorgde ervoor dat het manuscript in handen kwam van de Amsterdamse romancier Jacob van Lennep. Deze bewoner van een patricisch grachtenhuis wreef zich de ogen uit, toen hij Max Havelaar las. Hij moest erkennen dat hij de roman ‘bliksems mooi’ vond. Maar over de kwestie die Douwes Dekker in zijn boek aan de orde had gesteld, de uitbuiting van de Indische bevolking, schreef hij aan een vriend:

Indien de schrijver echter meent dat hij ons heel veel nieuws leert, geloof ik dat hij zich vergist. Er staat bijna niets betreffende die knevelarijen in de Oost, betreffende die liefelijke opgepronkte rapporten, met geuren van tevredenheid en rust doortrokken, wat ik niet reeds meermalen gehoord had. Ik heb zelf dikwijls lust gehad een roman over die infamiën te schrijven, maar 1. ontbrak het mij aan tijd, 2. zouden de mensen gezegd hebben dat ik er niets van wist en dus geen recht had erover te fantaseren.

Intussen had Van Lennep de minister van Koloniën Rochussen ervan op de hoogte gesteld, dat binnenkort een boek met onthullingen over koloniale onderdrukking gepubliceerd zou worden. De bewindsman reageerde in een brief aan Van Lennep:

Waarde Lennepius! Aan uw brief betreffende de Nederlandse Beecher Stowe erken ik uw vriendschap. De persoon in kwestie is mij sedert 1846 bekend. Hij heeft veel verplichting aan mij, maar dat is geen reden om dankbaar te zijn. Hij is knap maar excentriek. Is hij braaf? Ik stel thans een onderzoek naar hem in. Valt dat gunstig uit, dan zal ik een poging doen om hem te helpen. Natuurlijk dat hij in dat geval niet schrijft. Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt…

Uit het slot blijkt dat Rochussen Douwes Dekker wilde helpen, als hij zijn roman zou intrekken. Kort hierna bood de minister aan Douwes Dekker ‘een eervolle, onafhankelijke en lucratieve betrekking’ in de West aan, die door Douwes Dekker geweigerd werd: het aanbod was hem te laag.

Jacob van Lennep (1850)

De uitgave van Max Havelaar zou dus doorgaan. Van Lennep nam het op zich de publicatie te verzorgen. In januari 1860 schreef hij aan Douwes Dekker: ‘Ik ben nu bezig Max H. te herlezen en met rode inkt de nodige aanwijzingen te doen van hetgeen in blanco gelaten moet worden: zo blijft uw h.s. ongeschonden.’ De berooide Douwes Dekker, die van Van Lennep geld ontvangen had, liet hem begaan: deze laatste verving bepaalde namen en data uit de roman door puntjes, waardoor het feitenmateriaal veel van zijn overtuigingskracht verloor, en bovendien zorgde hij ervoor, dat Max Havelaar slechts in een dure uitgave in de boekwinkels verscheen, zodat het vooral door de conservatieve, rijke burgerij gekocht zou kunnen worden: een publiek waartegen Multatuli zich juist gekeerd had. Op de woedende vraag van Multatuli, waarom het boek f 4.- kostte, het weekloon van een arbeider in die tijd, en waarom er geen volksuitgave was verschenen, reageerde Van Lennep:

Heb ik ‘t mijn plicht als Nederlander geacht uw boek ter kennisse te brengen van de machtigen, de verstandigen en beschaafden onzer Natie, hier en in Indië, ik zou rekenen die plicht overtreden, ja, verraad jegens mijn vaderland gepleegd te hebben, indien ik uw boek had doen strekken, om ‘t schuim dier Natie, hier en in Indië in beweging te brengen, om de moorddolk te doen wetten en de fakkel der vernieling te doen zwaaien en rampen zonder tal over het land mijner geboorte te storten.

Toen het boek ten slotte in mei verscheen, was de opschudding om wat er in Lebak gebeurd was, groot. In september verklaarde de politicus Van Hoëvell in de Tweede Kamer ‘dat door dat boek een zekere rilling door het land gegaan en grote ongerustheid, ja, verontwaardiging in veler gemoed ontstaan was’.

Maar de gouverneur-generaal Duymaer van Twist, die in de zaak-Lebak niet tegen de knevelarijen van de regent had willen optreden en die zich na zijn pensionering op zijn landgoed bij Deventer had teruggetrokken (Multatuli merkte over hem schamper op: ‘Voor twee tonnen gouds in ‘t jaar kan men geen held verlangen!’) bleef ook na de publicatie van Max Havelaar zwijgen. Ook de officiële autoriteiten deden hun best de zaak te sussen. In september werd zelfs in een regeringsboodschap verklaard: ‘De toestand der overzeese bezittingen is in alle opzichten bevredigend.’ Over het waarheidsgehalte van dit soort officiële verklaringen noteerde Multatuli later:

De rapporten der beambten moeten kloppen met de geest van de clique die op ‘t kussen zit. De mededelingen uit Indië zijn leugenachtig. Tezelfdertijd als men publiceert dat daarginder alles rustig en tevreden is, moet men ter beteugeling van opstand en oproer z’n verdedigers zoeken tot in Altona en Afrika toe. De troonrede die de ministers laten uitspreken, is een jaarlijks terugkerende leugen. En ‘t antwoord daarop insgelijks. Nooit laat men de Koning zeggen: “Heren, ‘t Volk lijdt gebrek.” Nooit antwoordt men: “Sire, ‘t Volk heeft honger.” En zo toch zou er moeten gesproken worden, als er naar waarheid gestreefd werd.

Op allerlei manieren probeerde hij ten slotte het publiek van de waarheid van de Lebak-zaak te overtuigen. Hij ging er zelfs toe over een advertentie in de krant te plaatsen met de mededeling dat hij de volgende zaterdag in de hal van een Amsterdams hotel aanwezig zou zijn om de schriftelijke gegevens over de Lebak-zaak aan iedere belangstellende te tonen. Die dag kwam er slechts één persoon opdagen: een schuldeiser die van Douwes Dekker eindelijk zijn geld hoopte te krijgen.

(Tekst ontleend aan Calis en Huygens, Het spel en de knikkers.)

Print Friendly