Het Roverslied van Wouter

Fragment uit de Ideeën van Multatuli. De meester vertelt Wouters moeder dat Wouter ‘behoort tot de klasse der roovers, moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters…’. Om duidelijk te maken hoe groot het probleem is, leest hij Wouters ‘Roverslied’ voor. Lees hier meer!

– Ik zal u ‘n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en wie daarna nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap…

‘t Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou. Het stuk dat de meester daarop voorlas, was dan ook van ‘n aard dat die twyfel heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen tot myn held, zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet zóó slecht was als-i er uitzag in z’n vreeselyk

‘ROOVERSLIED.

Met myn zwaard,
Op m’n paard,
En myn helm op het hoofd,
Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,
En vooruit!

– Christenzielen, riep ‘t heele gezelschap, is-i dol?

En vooruit!
Op den weg,
Langs de heg,
Met een houw en een stoot
De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood…

– Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf? jammerde de moeder.

Om den buit!

– Zieje, ‘t is om den buit, zei juffrouw Laps, ik zeg maar altyd, men begint met ‘n bybel, en…

En die buit
Is myn bruid…

– Hebje van z’n leven… z’n bruid! De jongen heeft pas gewisseld!

En die buit
Is myn bruid,
My gekocht met m’n staal…

– Met z’n st… a… a… a… l!

En die buit
Is myn bruid,
My gekocht met m’n staal,
En ik voer, als een veêr, met my mee haar in ‘t zaal,
Naar de grot…

– Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren?

Als de wind
Zoo gezwind,
Jaag ik voort met myn vracht,
En ik sla op haar schreien en kermen…

– Och, gerechtige vrede, ‘t mensch kermt ‘r van!

En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,
Wat genot!

– Dat noemt-i genot! Ik word ‘r koud van!

En dan weer
Op-en-neer,
Rechts en links door het land…

– Lieve Jesis, daar gaat-i weer!

En dan weer
Op-en-neer,
Rechts en links door het land,
Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,
Tot vermaak!

– De hel zit in dien jongen… tot vermaak!

En dan voort
Weer gespoord
Naar een nieuw aventuur…

– Alweer? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe? ‘t Is om te bezwyken…

En dan voort
Weer gespoord
Naar een nieuw aventuur,
En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur,
Om de wraak…

– Goeie god, wat hebben ze ‘m toch gedaan?

Want de wraak
Is de taak
Van den koning van ‘t woud…

– Is-i razend… ‘k zal ‘m koningen!

Want de wraak.
Is de taak
Van den koning van ‘t woud…
Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt…

– Wat ‘s dàt voor ‘n ding?

Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt,
En banier!
Op, hoezee…
Wie gaat mee?

‘t Gezelschap rilde op die uitnoodiging.

Op, hoezee…
Wie gaat mee?
Nu geen schepsel verschoond,
Nu de mannen gehangen…

– Lodderyn! Trui, je ziet dâ-k…

Nu de mannen gehangen, de vrouwen…

– Lodderyn… lodderyn!

de vrouwen gehoond…

– Lodderyn, lodderyn, lodderyn… Trui!

de vrouwen gehoond,
Voor pleizier!’

– Voor pleizier… herhaalde meester op ‘n graftoon, voor pleizier! Hy… doet… die… dingen… voor… zyn… plei… zier!

‘t Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoffel’s pyp was uitgegaan. Maar Wouter had iets kalms in z’n wezen, en toen z’n moeder hem genoeg geslagen had om haar bezinning terugtekrygen, legde hy zich niet ontevreden neer in ‘n hoekje van de achterkamer, waar-i weldra insliep om te droomen van Fancy.

Print Friendly