Droogstoppel over het prul van Heine

Dit is een fragment uit het tiende hoofdstuk van Max Havelaar. Stern heeft op een avond met vrienden en familie een gedicht van Heinrich Heine voorgedragen. De romantische inhoud van het gedicht bevalt Droogstoppel helemaal niet. Hij schrijft een vaderlijke brief aan Stern, waarin hij het gedicht met de grond gelijk maakt.

Beschouwingen omtrent de waarheidsliefde van iemand die het volgend prul van Heine vóórzegt aan een jong meisje dat in de suite zit te breien.

Auf Flügeln des Gesanges,
Herzliebchen, trag ich dich fort.

Herzliebchen? Marie, jouw Herzliebchen? Weten je ouwelui daarvan, en Louise Rosemeyer? Is het braaf dit te zeggen aan een kind, dat door zoo-iets al zeer ligt ongehoorzaam zou worden aan hare moeder, door zich in het hoofd te halen dat ze mondig is, omdat men haar: Herzliebchen noemt? Wat beduidt dat: voortdragen op je vleugels? Je hebt geen vleugels, en je gezang ook niet. Probeer ‘t eens over de Lauriergracht, die niet eens heel breed is. Maar al had je vleugels, mag je dan zulke dingen voorstellen aan een meisje dat haar belydenis nog niet gedaan heeft? En al was ‘t kind aangenomen, wat beduidt dat aanbod van wegvliegen samen? Foei!

Fort nach den Fluren des Ganges,
Dort weiss ich den schönsten Ort.

Ga er dan alleen heen, en huur er een optrek, maar neem niet een meisje mee, dat haar moeder moet helpen in ‘t huishouden! Maar je meent het ook niet! Vooreerst heb je nooit den Ganges gezien, en kunt dus niet weten of ‘t daar goed leven is. Wil ik je eens zeggen hoe de zaken staan? Het zyn alles leugens, die je alleen dáárom vertelt, omdat je in al dat gevèrs je tot slaaf maakt van maat en rym. Als de eerste regel geëindigd was op koek, wyn, kina, zou je aan Marie gevraagd hebben of ze meeging naar Broek, Berlyn, China, en zoo voort. Je ziet dus dat je voorgestelde reisroute niet oprecht gemeend was, en dat alles neerkomt op een laf geklinkklank van woorden zonder slot of zin. Hoe zou ‘t wezen, als Marie nu eens werkelyk lust kreeg om die malle reis te doen? Ik spreek nu nog niet eens van de ongemakkelyke manier die je voorstelt! Maar zy is, den Hemel zy dank, te verstandig om naar een land te verlangen, waarvan je zegt:

Dort liegt ein rothblühender Garten
Im stillen Mondenschein;
Die Lotosblumen erwarten
Ihr trautes Schwesterlein.
Die Veilchen kichern und kosen,
Und schau’n nach den Sternen empor;
Heimlich erzählen die Rosen
Sich duftende Märchen ins Ohr.

Wat zou je in dien tuin by maneschyn met Marie uitvoeren, Stern? Is dat zedelyk, is dat braaf, is dat fatsoenlyk? Wil je dat ik beschaamd moet staan, evenals Busselinck & Waterman, met wie geen fatsoenlyk handelshuis iets te doen wil hebben, omdat hun dochter weggeloopen is, en omdat het knoeiers zyn? Wat zou ik moeten antwoorden, als men my op de beurs vroeg, waarom myn dochter zoo lang in dien rooien tuin is gebleven? Want dit begryp je toch, dat niemand me gelooven zou, als ik zei dat ze daar wezen moest om een bezoek te brengen aan de lotusbloemen die, zoo als je zegt, haar al lang gewacht hebben. Even zoo zou ieder verstandig mensch my uitlachen, als ik gek genoeg was om te zeggen: Marie is daar in den rooden tuin – waarom rood, en niet geel of paars? – om te luisteren naar ‘t snappen en giechelen van de viooltjes, of naar de sprookjes die de rozen elkaar heimelyk in ‘t oor blazen. Al kon zoo iets waar zyn, wat zou Marie er aan hebben, als het toch zoo heimelyk geschiedt, dat zy er niets van verstaat? Maar leugens zyn het, flauwe leugens! En leelyk zyn ze ook, want neem eens een potlood, en teeken een roos met een oor, en zie eens hoe dat er uitziet? En wat beduidt het, dat die Märchen zoo duftend zyn? Wil ik je dat eens zeggen in goed rond hollandsch? Dat wil zeggen dat er een luchtjen is aan die malle sprookjes… zóó is het!

Es hüpfen herbei, und lauschen
Die frommen, klugen Gazellen;
Und in der Ferne rauschen
Des heiligen Stromes Wellen…
Dort wollen wir niedersinken
Unter dem Palmenbaum,
Und Ruhe und Liebe trinken,
Und träumen seligen Traum.

Kan je niet naar Artis gaan – je hebt immers aan je vader geschreven dat ik lid ben? – zeg, kan je niet in Artis terecht als je dan volstrekt vreemde dieren zien wilt? Moeten het juist die gazellen aan den Ganges wezen, die toch in ‘t wild nooit zoo goed zyn waartenemen, als in een nette omheining van gekoolteerd yzer? Waarom noem je die dieren vroom en verstandig? Het laatste laat ik gelden – ze maken althans zulke zotte verzen niet – maar vroom? Wat beteekent dat! Is ‘t niet misbruik maken van een heilige uitdrukking die alleen mag gebruikt worden voor menschen van ‘t ware geloof? En die heilige stroom? Mag je aan Marie dingen vertellen, die haar tot een heidin zouden maken? Mag je haar doen wankelen in de overtuiging dat er geen ander heilig water is, dan dat van den doop, en geen andere heilige rivier dan de Jordaan? Is dit niet ondermynen van de zedelykheid, deugd, godsdienst, christendom en fatsoen?

Denk over dit alles na, Stern! Je vader is een achtenswaardig huis, en ik ben zeker dat hy ‘t goedvindt dat ik zoo op je gemoed werk, en dat hy gaarne zaken doet met iemand die deugd en godsdienst voorstaat. Ja, principes zyn me heilig, en ik heb geen schroom om ronduit te zeggen wat ik meen. Maak dus geen geheim van wat ik je zeg, schryf ‘t gerust aan je vader dat je hier in een soliede familie bent, en dat ik je zoo op ‘t goede wys. En vraag je zelf eens af, wat er van je zou geworden zyn, als je by Busselinck & Waterman waart gekomen? Dáár zou je ook zulke verzen opgezegd hebben, en dáár had men niet op je gemoed gewerkt, omdat het knoeiers zyn. Schryf dit gerust aan je vader, want als er principes in ‘t spel zyn, ontzie ik niemand. Dáár zouden de meisjes met je meegegaan zyn naar de Ganges, en dan lag je daar nu misschien onder dien boom in ‘t natte gras, terwyl je nu, omdat ik je zoo vaderlyk waarschuwde, hier. by ons kunt blyven in een fatsoenlyk huis. Schryf dat alles aan je vader, en zeg hem dat je zoo dankbaar bent dat je by ons zyt gekomen, en dat ik zoo goed voor je zorg, en dat de dochter van Busselinck & Waterman is weggeloopen, en groet hem zeer van my, en schryf dat ik nog 1/16 procent courtage zal laten vallen beneden hun bod, omdat ik geen onderkruipers lyden kan, die een konkurrent het brood uit den mond stelen door gunstiger voorwaarden.

(Bron: Multatuli, Max Havelaar of De koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy (ed. Mimi Douwes Dekker). Elsevier, Amsterdam 1900 (9de druk))

Print Friendly