Sonnet

Het sonnet is een dichtvorm die ontstaan is in Italië ten tijde van de Renaissance. Een sonnet bestaat uit veertien versregels die gebonden zijn aan strenge regels van rijm en structuur. Het klassieke Italiaanse of Petrarca-sonnet bestaat uit vier strofen, waarbij de eerste twee strofen vier regels tellen (twee kwatrijnen, samen een octaaf) en de laatste twee strofen drie regels (twee terzinen, samen een sextet).

Anna Roemers - SonnetInhoud

Het sonnet is een lyrische dichtvorm, dat betekent dat gevoelens erin centraal staan. In de renaissance waren dat nog niet zozeer de gevoelens van de dichter zelf: veel sonnetten waren nabootsingen van klassieke teksten (imitatio). Pas veel later, eind negentiende eeuw, gaan de Tachtigers sonnetten schrijven waarin ze hun eigen diepste gevoelens uiten.

Wat inhoud betreft is er in het Italiaanse sonnet meestal een inhoudelijke ommekeer tussen het octaaf en het sextet. Octaaf en sextet staan dus in een zekere verhouding tot elkaar: het octaaf bevat bijvoorbeeld een bepaalde gedachtegang, gevoelsstroom of verbeelding, het sextet reageert met een conclusie, toepassing, tegenstelling of verbeelding.

De verandering heet de ‘chute’ of de ‘volta’ (‘val’ of ‘wending’). De ommekeer is meestal slechts heel subtiel, de twee delen zijn steeds samenhangend.

Vorm

Vaak is het rijmschema van een sonnet ABBA ABBA CDC DCD, maar dit kan variëren. Zo is ABBA BAAB ook mogelijk, of CDC CDC, of CDE DCE.

Het metrum duidt aan welke lettergrepen benadrukt of onbenadrukt zijn. In vele gevallen wordt er gebruik gemaakt van de jambische pentameter. Hierbij heeft elke regel tien lettergrepen, waarbij de even lettergrepen benadrukt zijn.

Naast het Italiaanse sonnet kennen we het Engelse of Shakespeare-sonnet. De veertien regels worden gewoonlijk als één geheel  afgedrukt, maar door het gehanteerde rijmschema (ABABCDCDEFEFGG) bestaat het eigenlijk uit drie kwatrijnen en een distichon (een strofe van twee regels). Deze twee laatste verzen vertonen vaak typografisch een wat ander beeld en geven meestal een conclusie, een vaststelling of een bepaald standpunt. Hier ligt de wending dus na de twaalfde regel in plaats van na de achtste.

Voorbeelden

Het sonnet is niet alleen in de renaissance een populaire dichtvorm, het wordt door de eeuwen heen door allerlei verschillende soorten dichters en in verschillende literaire stromingen gebruikt. Hieronder een aantal voorbeelden.

Het ‘Sonnet’ van Willem Kloos is erg beroemd. Kloos is een van de Tachtigers (rond 1880), een groep dichters die de poëzie radicaal wilde veranderen. Volgens Kloos moet poëzie ‘de allerindividueelste expressie van de allerinidivueelste emotie’ zijn. Dat betekent dan natuurlijk wel dat de poëzie gaat over de dichter zelf en het ‘ik’ overheerst.

‘sonnet’ van Lucebert is dan ook een parodie op het traditionele sonnet. Hoewel hij zelf veel sonnetten heeft geschreven, gebruikt hij de vorm hier om zich af te zetten tegen de overheersing van het gevoel en de ‘ik’ van de dichter in de poëzie.

P.C. HooftMijn lief, mijn lief, mijn lief

Mijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij toe,
Dewijl mijn lippen op haer lieve lipjes weiden.
De woordtjes alle drie wel claer en wel bescheiden
Vloeiden mijn ooren in, en roerden (‘ck weet niet hoe)

Al mijn gedachten om staech maelend nemmer moe;
Die ‘t oor mistrouwden en de woordtjes wederleiden.
Dies ick mijn vrouwe bad mij claerder te verbreiden
Haer onverwachte reên; en sij verhaelde’ het doe.

O rijckdoom van mijn hart dat over liep van vreuchden!
Bedoven viel mijn Siel in haer vol hart van deuchden;
Maer doe de Morgenstar nam voor den dach haer wijck,

Js, met de claere Son, de waerheit droef verresen.
Hemelsche Goôn, hoe comt de Schijn soo naer aen ‘t Wesen,
Het leven droom, en droom het leven soo gelijck?

Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647)

 

Kloos - Ik ben een god in t diepst van mijn gedachtenSonnet

Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten,
En zit in ‘t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en ‘t al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

En als een heir van donkerwilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor ‘t heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten.

— En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb’re leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar ‘k niet langer woorden vond.

Willem Kloos (1859 – 1938)

 


sonnet

ik
ik
mij
mij

mij
ik
mij
ik

ik
ik
mijn

mijn
mijn
ik

Lucebert (1924-1994)

Print Friendly