Opdrachten Renaissance

1. Historische achtergrond

Neem de tijdlijn van de renaissance door.
a) Leg in eigen woorden uit wat antropocentrisme en empirisme inhouden.
b) Leg uit waarom het logisch is dat in de renaissance ook het individualisme opkomt.
c) Geef in een schemaatje beknopt de verschillen weer tussen de middeleeuwen en de renaissance. Misschien moet je daarvoor ook de tijdlijn van de middeleeuwen even weer doornemen.
d) Een homo universalis is een mens die op vele of zelfs alle gebieden van de menselijke cultuur uitblinkt. Waarom kon juist in de renaissance Leonardo da Vinci zich ontwikkelen tot een homo universalis? Leg dat in ongeveer vijftig woorden uit. Informatie vind je bijvoorbeeld op deze pagina over Da Vinci onder het kopje ‘Alles zelf ervaren’.

 

2. Schilderkunst, beeldhouwkunst, architectuur

a) Orden in een schema de kenmerken van bouwkunst, beeldhouwkunst en schilderkunst naar de volgende begrippen: realisme, estheticisme, classicisme en technische vernieuwing. Zoek informatie en afbeeldingen, bijvoorbeeld hier.

schilderkunst beeldhouwkunst architectuur
realisme
estheticisme
classicisme
technische vernieuwing

b) Leg duidelijk uit wat het wezenlijke verschil is tussen het renaissancistische ‘imitatio’ en ons begrip ‘plagiaat’.

 

3. P.C. Hooft

Lees het lied ‘Galathea siet den dach komt aan’, je kunt het ook beluisteren.
a) Dit is een zogenaamd ‘wachterlied’. Zoek bij de DBNL op wat een wachterlied is en geef een korte beschrijving van het genre.
b) Vertel in eigen woorden de inhoud van ‘Galathea’ na, waarbij je duidelijk maakt dat je begrijpt waar dit lied over gaat.

Galathea siet den dach comt aen

(Wijze: Gister avont spade sloot ick mijn deur, etc.)

Minnaer.
Galathea siet den dach comt aen. Twees. (=tweemaal)

Galathea.
Neen mijn lief wilt noch wat marren (=toeven)
T sijn de starren,
Neen mijn lief wilt noch wat marren t is de maen. T.

Minnaer.
Galathea t’ is geen maneschijn. T.

Galathea.
Hoe t’ is noch geen een geslagen
Wat soud ‘t dagen?
Hoe? t’ is noch geen een, t’ en can den dach niet sijn. T.

Minnaer.
Galathea’ aenschout den hemel wel. T.

Galathea.
Las! ick sie den dagerade
T’ onser schade,
Las! ick sie den daegeraedt de tijt is snel. T.

Waerom duirt de nacht tot t’ avont niet? T.
Dat wij bleven met ons beyen
Sonder scheyen
Bleven vrolyck tot dat ons de doot verriedt. T.

Nu Adieu mijn troost en blijft gesont. T.

Minnaer.
Wilt mij noch een kusgen geven
Och mijn leven!
Jont mij nog een kusgen van u blije mont. T.

Galathea.
Och mijn leven coomdij t’ avont weer? T.

Minnaer.
Las u moeder mocht het hooren
En haer stooren,
Maer al sou s’ haer stooren ick coom even seer. T.

Galathea.
Och mijn hart hoe raeck ick van u hals?

Minnaer.
Las den dach en wil niet lijen
T’ langer vrijen,
Danck hebt van u sachte kuskens en van als.

 

4. Het sonnet

Lees de tekst over het sonnet.
a) Welke kenmerken van het Italiaanse sonnet vind je in onderstaand gedicht ‘Herfstwandeling’ van de twintigste-eeuwse dichter Jean Pierre Rawie?
b) Vertel wat de volta in dit sonnet inhoudt.

Herfstwandeling

Reeds vroeg ontstegen aan het bed
waarin ook zij wel heeft gelegen
wier doen en laten toen mij tegen-
woordig vaak nog aan het denken zet,

ging ik de herfst in. Allerwegen
stond boomskelet na boomskelet
van alle allerliefsten het
verkoold geraamte in de regen.

Wat is dat toch ontzettend met
relaties die hun einde kregen;
al was je ze ook zeer genegen,

je hebt er jaren van gezwegen
en dan opeens kom je ze tegen
terwijl je op iets anders let.

Jean Pierre Rawie: ‘Wij hebben alles nog te goed’ (2001)

 

5. Joost van den Vondel

Lees de informatie over Joost van den Vondel.
a) Welke genres beoefende Vondel zoal? Geef voorbeelden.
b) Lees de gedichten ‘Kinder-lijck’, over de dood van Vondels acht maanden oude zoontje Constantijn, en ‘Uitvaart van mijn dochterken’. Wat zijn de verschillen in hoe de dood wordt ervaren in beide gedichten?

 

6. G.A. Bredero

Lees de inleiding bij ‘De Spaanse Brabander Jerolimo’ van Bredero.

Print het fragment, het Tweede Toneel uit het toneelstuk, en lees het goed door. Markeer en citeer de zinnen uit het fragment die nu nog actueel zijn en beschrijf kort de overeenkomsten tussen vroeger en nu.

Print Friendly