Joost van den Vondel

VondelJoost van den Vondel (1587-1679) beoefende veel verschillende literaire genres, zijn teksten waren vaak politiek getint. Zijn belangrijkste toneelstuk is ‘Gijsbrecht van Aemstel’ uit 1637. In deze tragedie over Amsterdam is duidelijk de invloed te zien van het verhaal van de verovering van Troje. Vondel schreef ‘Gijsbrecht van Aemstel’ ter gelegenheid van de opening van de eerste stenen schouwburg in Amsterdam.

Gedichten

Kinder-lijck (1632)

Constantijntje, ‘t zalig kijntje,
Cherubijntje (1), van omhoog,
D’ijdelheden (2), hier beneden,
Uitlacht met een lodderoog (3).
Moeder, zeit hij, waarom schreit gij?
Waarom greit (4) gij, om mijn lijk?
Boven leef ik, boven zweef ik,
Engeltje van ‘t hemelrijck:
En ik blink er, en ik drink er
‘t Geen de schinker alles goets (5)
Schenkt de zielen, die daar krielen (6),
Dertel van veel overvloeds.
Leer dan reizen met gepeizen (7)
Naar palleizen, uit het slick
Dezer werrelt, die zo dwerrelt (8)
Eeuwig gaat voor ogenblik.

(1) engeltje; (2) vergankelijkheden; (3) glimlach; (4) huilt; (5) God; (6) krioelen; (7) overleg; (8) verward is

Vondel postzegel

UITVAART VAN MIJN DOCHTERKEN (1633)
De felle Dood, die nu geen wit (1) mag zien,
Verschoont (2) de grijze liên.
Zij zit omhoog, en mikt met hare schicht
Op het onnozel wicht,
En lacht, wanneer in ’t scheien
De droeve moeders schreien.
Zij zag er een, dat, wuft (3) en onbestuurd,
De vreugd was van de buurt,
En, vlug te voet, in ’t slingertouwtje sprong
Of zoet Fiane zong,
En huppelde in het rijtje
Om ’t lieve loddereitje (4).
Of dreef, gevolgd van ene wakkre troep,
De rinkelende hoep
De straten door: of schaterde op een schop (5):
Of speelde met de pop,
Het voorspel van de dagen,
Die d’eerste vreugd verjagen.
Of onderhield, met bikkel en bonket (6),
De kinderlijke wet,
En rolde en greep, op ’t springend elpenbeen,
De beentjes van de steen;
En had dat zoete leven
Om geld noch goed gegeven:
Maar wat gebeurt? terwijl het zich vermaakt
Zo wordt het hart geraakt,
(Dat speelziek hart) van ene scharpe flits,
Te doodlijk en te bits.
De Dood kwam op de lippen
En ’t zieltje zelf ging glippen.
Toen stond helaas! de jammerende schaar
Met tranen om de baar,
En kermde nog op ’t lijk van haar gespeel,
En wenste lot en deel
Te hebben met haar kaartje (7),
En dood te zijn als Saartje.
De speelnoot vlocht (toen ’t anders niet mocht zijn)
Een krans van roosmarijn
Ter liefde van heur beste kameraad.
O kranke (8) troost! wat baat
De groene en goude lover?
Die staatsie (9) gaat haast (10) over.

(1) plezier; (2) spaart; (3) speels; (4) middelste in de kring; (5) schommel; (6) knikker; (7) speelvriendinnetje; (8) geringe; (9) versiering; (10) vlug

Print Friendly