J. Slauerhoff

Slauerhoff

J. Slauerhoff

Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) is een neoromanticus. Zijn gedichten en verhalen gaan meestal over grote verlangens en escapisme, thema’s die ook een grote rol speelden in het werk van de romantici aan het eind van de achttiende en in de eerste helft van de negentiende eeuw.

De poëzie van Slauerhoff wijkt af van die van veel modernistische dichters, zoals Paul van Ostaijen en Hendrik Marsman. De gedichten van Slauerhoff rijmen, de zinnen zijn grammaticaal en het onderwerp is vaak het gevoel van de schrijver, Slauerhoff zelf. Ook de personages in de verhalen en romans zijn vaak gebaseerd op Slauerhoff zelf: ze hebben geen echt thuis, zijn eenzaam, verlangen naar een nieuw leven en naar onbereikbare vrouwen en verliezen zich in drank of drugs. Op zee verlangen zij naar het vasteland en op het vasteland verlangen zij naar zee.

Hieronder lees je de gedichten ‘Woningloze’ en ‘Het einde’.

‘Schuim en as’ en ‘Het lente-eiland en andere verhalen’ zijn bundelingen van Slauerhoffs verhalen. Een fragment van zo’n verhaal vind je onderaan deze pagina: het slot van het verhaal ‘Het lente-eiland’.

Woningloze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak
Voor de eigenhaard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door de stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vóór de nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in ‘t donker openbreekt.

Het einde

Vroeger toen ’k woonde diep in ’t land,
Vrat mij onstilbaar wee;
Zooals een gier de lever, want
Ik wist: geen streek geeft mij bestand,
En ’k zocht het ver op zee.

Maar nu ik ver gevaren heb
En lag op den oceaan alleen,
Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen
Niet boren door de kimmen heen,
Voel ik het trekken als een eb

Naar ’t verre, vaste, bruine land…
Nu weet ik: nergens vind ik vree,
Op aarde niet en niet op zee,
Pas aan die laatste smalle ree
Van hout in zand.

Het lente-eiland

Oud en eerbiedwaardig in hun verheffing rijzen de grauwe en gele gebergten rondom de baai in den bijna altijd klaren hemel.
Oud en deerniswaardig samengedrongen ligt op een smalle oeverstrook het arme duistere Amoy. Geen enkel lichtopen plein. Geen groene weide onder de wallen. Rotsen en puinhellingen dringen het zo dicht langs het water, dat de overbevolking uit de stad puilt en samenhokt op de hulken die in zwermen aan den oever liggen.
De stegen waardoor men de stad in en door kan gaan zijn dadelijk donker; ze zijn zo smal, dat wanneer een bedelaar om een aalmoes smeekt, – wat hij doet door het korstig hoofd tussen de zwerende armen voorover ter aarde te werpen als dook hij uit ellende in wanhoop, – het pad van muur tot muur versperd is met een onoverkomelijk afzichtelijk lichaam ; de aalmoes wordt tolgeld.
Men moet zich even vaak één maken met den muur om kermend-zwoegende arbeiders voorbij te laten. Hier heerst eeuwige nacht. De verlaten poollanden zelfs liggen nog hun halve leven in veeg licht.
De holbewoners wonen in hun werkplaatsen en arbeiden dag en nacht, den honger op de hielen. Haastig verslinden ze soms bloedige en stinkende gerechten en arbeiden voort. Uit de achterkamers huilt het Chinese lied, snerpt de tweesnarige drietonige viool.
De kinderen wentelen naakt in het straatvuil, sommigen een bloem in het vette haar, vanwaar verdwaald?
Hoe zal men deze stad van hopelozen nacht ontvluchten? Overal stuit men af op den steilen rotswand. Een zijde is vlak, daar groeit het vale graan, staan talloze graven en wroeten zwarte varkens in den drassen grond. Alleen aan den waterkant is redding mogelijk en daar drijft aan de overzijde een eiland rein op de kalme zee, heuvelen, witte huizen en bomen dragend. Hoe onbereikbaar. Want het is haast niet mogelijk uit de horde sampans één los te doen drijven, zo misgunnen deze armsten elkaar de vracht. Onder verwensingen maakt eindelijk een zich los. Bevrijd! Als uit een mijn naar het licht gestegen. Water, dadelijk rein van Amoy’s resten, omspoelt de smalle boot waarin een levende mummie staat te roeien.
De stroom is sterk. Maar langzaam nadert het betere land.
Het wondereiland, dat den naam draagt van een zijner heimelijkste plekken: Kau Lung Seu, de dreunende spelonk. Duisternis, rumoer en stank liggen achter de zee der vergetelheid.
Hier alleen het prevelen van den wind in de blaren, het klagen van drie snaren met een stem tezaam. Bloemen en grassen rieken pril en zoet, de zeewind brengt het zout voor dit hemelse gerecht van louter geur. Het is hier eeuwige stilte. Het is hier eeuwig herfst. Of lente?
Geen ratelende wagens draven voorbij, zelfs geen kruiwagens kraken over de stenen. Op het eiland van heuvelen en dalen, zwerfblokken en tuinen wordt de demon, die den mensen snelheid en gejaagdheid leerde en de oorspronkelijke rust onder zijn wentelende velgen verpletterde, onbekend. Het Wiel wordt hier nergens aanbeden.
Alleen in de lijnbaan aan de buitenzijde van het eiland staat het, maar getemd, niet in staat weg te rollen; het moet draden en koorden spinnen en is zelfs symbool geworden van gehechtheid en binding.
Wat verplaatst moet worden – zo weinig mogelijk – dragen de koelies aan gekruiste stokken. De eerwaardigen die het aardoppervlak niet meer met hun voetzolen mogen beroeren, bevaren in hun draagstoel hoog op schouders de onzichtbare golven der lucht. De bewoners gaan in rustigen gang, door geen gemoedsbeweging gehaast, zoals hun vaderen eeuwen her voorgingen.
De kinderen kennen niet de luidruchtige spelen met een vliegenden bal, maar dwalen in de ruinen, dragen water, eten kersen aan stokjes geregen. Speels alleen zijn zij, van wie men dit het minst verwachten zou: de oude grijze muren, die schaduwen dragen als een nooit gewisseld kleed, lommer als een immer groenen haardos. Zij bieden zich grootmoedig aan, den wandelaar te begeleiden langs de lanen en tegelijk te beschermen tegen zon en wind. Wie zou niet volgen? Het is een langzaam en zacht genot in den halven schemer over de afgevallen blaren te schuifelen en alleen te vermoeden wat er achter de hoge donkere wanden kan liggen. En als eens een poort halfopen staat, ziet men over een aarzeling de verborgen wereld in: dichtbijeen grillige tuinrotsjes in kleine vijvers, door tintelende goudvissen omzwommen.
Groen in alle gedaanten gekweekt, daarachter gaat een dal open, tegen de hellingen staat het water in terrassen ; trappen van spiegels, alleen voor de watergeesten begaanbaar, klimmen ten top.
Een smal groen bos en een breed geel strand zomen den waaier van natuurwonderen waarvan de figuren dichtbij den steel zijn getekend en de rand onmerkbaar in het azuur overgaat.
Dan dwingen de muren het pad weer naar binnen te kronkelen en een binnenhof in te sluipen waar een wanstaltige tempel blinkend van porselein en goud in de vale stilte staat, vlaggetjes als gestyleerde bloemen spruiten uit het dak. In donkere diepte de God die het eiland tegen rampen beschermt en de geesten van den vooruitgang tegenhoudt door zijn afschrikwekkende gedaante. Alleen taiphoons zijn ook hem te machtig.
Zij woeden een nacht, rotsblokken liggen in de tuinen, huizen zijn opengerukt, daken drijven in de baai als grote omgerukte regenschermen. Maar over de verwoesting heerst weer de stilte en de herfst.
De God grijnst eeuwig tevreden. Voor hem, in het zand gestoken, branden de wierookstokjes. Kinderen en vrouwen planten steeds verse, ter vervulling hunner verlangens naar speelgoed of naar een echtgenoot, zodat de zoete reukwolk in den tempel nooit optrekt.
Hier vandaan leidt de laan naar de samenkomst veler wegen, waar een boom uit vele andere is samengegroeid. Misschien heeft men in een vorig leven zelf zijn naam in deze schors gesneden. Maar de karakters zullen verwrongen zijn door den groei van het hout.
Van hier uit wil de wandelaar stijgen naar den stenen top, dien hij ziet liggen tussen de bladeren door. Nu beginnen de muren hun spel. Telkens leiden ze hem naar beneden en brengen hem dan weer aan dezen vijfsprong terug, bij den ouden boom. Als dit enige malen is gebeurd, merkt hij eindelijk aan een onderdeel, een wortelknie die wat hoger is opgetrokken of een lager hangenden tak, dat het een ander is. Verdwaald. Wat doet het er toe ? De muren brengen hem verder. Even ligt in de verte Amoy, van hier uit een stille stad van geelroodbruine steen. Dan krimpt het vergezicht weer, de muur leidt hem om den tuin (van den koopman Tan Ke) door een kleine vlakte, tussen zoutpannen door, naar een klein oud kerkhof, een opgehoogden grafheuvel, zodat hij de grafschriften voor ogen heeft en de doden aan zijn voeten.
Hij leest bekende namen van Deense en Duitse zeevaarders, die hier varend op theeklippers, koelieschakers of lijkenhaters hun grafplaats vonden, hoe ver van hun land! ‘Hier ruht in Gott’. Hoe ver van hun wadden en marsen en föhrden. En hoeveel droger. Is het niet verkieslijk een zuivergebleekt skelet te worden en zo nog lang voort te bestaan in plaats van een reeds overvruchtbaar kustland met zijn bestanddelen te bemesten?
Om deze doodsgedachten te ontgaan, houdt de wandelaar nu hardnekkig den reuzensteen in het oog die het eiland somber en waardig kroont.
Vergeefs, het pad dwingt hem weer omlaag en wordt smal langs de zee tussen heuvelen en branding in. Vaak spoelt een golf er overheen, den kiezel verschuivend. De meeste vinden een bruisenden ondergang tussen de rotsen die in een gebroken keten de kust omringen, ook afkomend van het machtig kroonbazalt, dat ze als zijn kroost heeft uitgezaaid, de hellingen af naar de zee, de verlangde verbrijzeling. Ze zijn egaal van kleur en gestalte, zodat ze dichter bijeen schijnen te liggen straks. Het water wringt en schuimt en schuurt. Hier verslindt een diepe krocht het pad. Geel zand vloert den voorgrond, in de ondermijnde diepte kolkt het duister water. Hoor het den naam van het eiland murmelen.
Het wordt donker, de zee onstuimiger en het pad dat de ontvoering van den muur heeft overgenomen, wil haar niet verlaten en rondt een schiereiland in alle wijdlopigheid, zonder er aan te denken dat het veel korter zijn zou het den hals af te snijden. De zwerver komt in verzet, maar de heuvelen zijn te steil en een ogenblik later verheugt hij zich volgzaam te zijn gebleven. De muur is weer opgedoken, maar lager, als gebukt langs en in ontzag voor het paleis dat er achter verrijst. De poort staat open; de draken die den ingang bewaken, zijn reeds overwonnen door den tijd en missen, zwaarverminkt, alle verschrikking. De heesters hebben hun oorspronkelijken vorm verloren en hebben gedaanten verworven, die geen mens kan bedenken en begrijpen. De paden zijn bedolven onder de bloemen, die hun perken hebben verlaten en zich gezet hebben waar zij wilden. De verzaakte tuin is toch geen wildernis geworden, door een voorzienigheid behouden om den ovalen vijver te verbergen en het paviljoen dat in het midden ligt. De zigzagbrug die den geesten den weg, den rechten weg versperde, ligt in stukken tussen het kroos. Het paviljoen van het midden is beschermd door den ondoordringbaren groei. Geen tegel van het mozaiek is gebroken en toch is het open naar alle kanten; de wind van het Zuiden was vroeger een trouw bezoeker, als de uitverkorenen uit de verre provinciën, waarheen de naijver van den despoot ze had uiteengebannen, hier bijeenkwamen in dezen tuin op dit eiland, in dezen tuin in dezen vijver op dit eiland, onder dit paviljoen, open naar alle windstreken en toch zo luw dat de geurwolk van de thee loodrecht en dun opstijgt, terwijl gewijde geschriftrollen gereed liggen en de luiten tegen de ranken leunen.
Een kleine edele danseres spitst haar voetjes onder het neerhangend gewaad en zal zinrijke en schertsende passen maken over het vloermozaïek dat den bloei van den tuin, het vijvervlak en den oeverkrans van het eiland stijlvol herhaalt.
Den zwerver is het niet gegeven ze weer te zien, alwas hij misschien een der hunnen, een der geringsten. Waar komt het lied nu dan vandaan? Uit den boom voor den Westeringang. Uit die kelken, wijd open als wetende en kussen willende lippen. Of zingt de luit uit zichzelve, of van generzijds bespeeld:

Onder vermolmd klankhout
En mijn versleten snaren
Slapen de liedren, vroeger
Vereerd, veracht sinds lang.
Vervaald zijn de jadetoetsen,
Gestolen de gouden grepen.
Stof vult het klankrijk binnenst,
De toon sluimert.
Ach wie bespeelt mij nog?

Het lied is veronachtzaamd
En ik in den tijd vereenzaamd.
Dichters zijn zwervend, schaars,
Het volk heeft den zin gezet
Op Sjangs fluit, Sjins flageolet,
Schel en barbaars.

Zingt nu het eiland zelve:

Op ‘t verboden lente-eiland
In den tuin, niet meer te vinden
Voor die later zijn geboren,
In den onbevaarbren vijver
Ligt op ‘t hoogbegroeide eiland
In ‘t geheim het paviljoen.

‘s Nachts vergaadren nog de geesten
In den tuin, alleen te vinden
Door de geesten die hier schreven
Liedren, feestlijk saamgezeten
Op het geurend stille eiland
In het open paviljoen.

Niet meer vrezend dat de fakkels,
Talrijk tussen ‘t groen gestoken,
Zullen doven voor het vers leeft,
Want de maan giet licht genoeg
Op de geesten, saamgezweefd
In het nachtlijk paviljoen.

Geen behoeft den beker nog
Die den dagstroom moet verdrijven,
Allen drinken naar hun dorst
IJlen wijn van hemelgeur,
Enkel nachtlijk de aarde rakend
Op ‘t gezegend lente-eiland.

En de maan verlaat den hemel,
Aangelokt door ‘t lente-eiland,
Schijnt op geesten van gedichten,
Hangt als lamp in ‘t paviljoen.

‘t Wordt weer donker als het licht wordt
En zij varen weer ten hemel
In hun slanke nevelboten.

Eenzaam staat het paviljoen,
Eeuwig trouw aan dode dichters,
Op ‘t verboden lente-eiland.

Als de wind in wilgeblaren,
IJl verruist het afscheidslied.

Uit: J.J. Slauerhoff, Het lente-eiland en andere verhalen. 1951

Print Friendly