F. Bordewijk

Nieuwe zakelijkheid

Ferdinand Bordewijk (1884-1965) is een bijzondere auteur in de Nederlandse literatuur. Hij is een van de weinige schrijvers die in verband kan worden gebracht met de stroming Nieuwe zakelijkheid in het Interbellum. Deze stroming vindt zijn oorsprong in de beeldende kunst en design, waarbij de functionaliteit van voorwerpen het belangrijkst was. In de literatuur uit deze functionaliteit zich in het vooropstellen van de inhoud boven de vorm. Schrijvers proberen de nadruk te leggen op wat er gezegd wordt, door het op een gewone manier op te schrijven.

Bij Bordewijk zie je dit functionalisme in de korte zinnen en concrete beschrijvingen in bijvoorbeeld Blokken: de mislukking van een heilstaat (1931), een antiutopische novelle in de stijl van het tijdschrift De Stijl. Het verhaal beschrijft een dictatoriale samenleving, de Staat, waarin alles blokvormig en zwart, rood en wit moet zijn. De opbouw van het verhaal zelf is ook blokvormig, met tien korte hoofdstukjes die een afgerond onderdeel van de handeling beschrijven.

De nacht

Het vliegtuig ging zijn weg, pijlrecht, een rood seinlicht voorop, versterkt door kristallen prisma’s. Het schoot door de nacht als een pijl met gloeiende punt. Het doel was de stad. Het vloog laag over de bouwlanden.

Er waren geen lichten op de aarde. Er was een overvloed van licht in de hemel. Daar waar de mens nog geen macht had leefde de romantiek, wild en vertoornd in haar zege. De stormwolken gingen geweldig, fregatten van de nacht óverbespannen met zeil. De zeilen scheurden.

Fragment uit Brodewijk, Blokken

Hoewel Bordewijk ook in zijn roman Bint: roman van een zender (1934) gebruikmaakt van de bondige stijl met korte zinnen van de Nieuwe zakelijkheid, wijkt deze roman toch enigszins af. De leerlingen in het klaslokaal van onderwijzer De Bree worden op een meer expressionistische manier beschreven. Wanneer De Bree bijvoorbeeld opmerkt ‘er was één vrouw’ of ‘een gorilla zwaaide sloom op hem toe’, bedoelt hij jongens uit de klas. Dit is geen directe en concrete beschrijving, maar het zijn metaforen die iets duidelijk maken over het uiterlijk, het gedrag of de manieren van de leerlingen.

Angst en tucht

Bordewijk was jurist en docent op een handelsschool. In Bint gebruikt hij zijn ervaringen als docent, wat hij meemaakte als advocaat zie je terug in Karakter: roman van zoon en vader uit 1938. Karakter is, net als Bint, een roman over tucht en angst. In Bint lees je mee met de onderwijzer De Bree die voor een lastige klas komt te staan. Bint, het hoofd van de school, wil zijn leerlingen met harde tucht opvoeden. Dat Bordewijk zelf ambivalent staat tegenover macht, angst en tucht, zie je aan het feit dat een leerling van de school van Bint zelfmoord pleegt. In Karakter is het de vader die macht heeft over zijn zoon. Ook hier is het doel van de vader zijn zoon verder te helpen in het leven door middel van tucht. In de roman wordt gesuggereerd dat de vader in zijn opzet is geslaagd.

Hieronder lees je de eerste twee hoofdstukken uit de roman Bint: roman van een zender van Bordewijk uit 1934. Op de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl) vind je de volledig tekst van Bint, maar ook van de novelle Knorrende beesten (1931) en de roman Karakter (1938).

Een stalen tucht

De Bree, zijn denken was hoekig en nors. De lucht lag laag morsig roetig. Novemberochtend. De wind danste lomp om de hoeken. De boerse reuzin viel over hem met de volle vracht van natte kleren. De Bree kampte even. Dit was een voorpostgevecht. Hij wist ongeveer waar hij heen ging. Hij had er van gehoord.
Hij bereikte het plein met onvertraagde tred door de kolking der tochtgaten. Het plein was rechthoekig, gekoolgruisd het midden in een lijst van keien. Een enorme dode heester en anders niet, op de verkoolde aarde, de muziektent. Drie hoge wallen van huizen, glas meer dan steen, smal glas tussen smaller steen, de ramenvolte van armoehuizen. De wallen waren nauwelijks gescheiden door de smalle tochtgaten, spuigaten der verkeerswegen. Kleine groepen stonden fladderend, hier en daar, over het grote plein.
De vierde wal was het enkel geelgrauw gesausd blok van het gebouw met de molmen daktoren en het uurwerk van verbleekt goud. Lekken traanden vuil over zijn gevels.
Hij belde galmend, hij had nog geen sleutel. In de stroeve hal was geen warmte. De trap omhoog lag stijf gestrekt, met dubbele houten armzwaai naar hoger. Een schepsel was daar, zwart, doodsbleek, dat toefde, keek, en bij de bocht verdween.
– Komt u even hier, vroeg een grote mollige man, zeer wit van gezicht.
Deze was de concierge. Hij had de stem van een weekdier.
Terzijde van de hal stond reeds de directeur op de drempel, droog, rietmager, kaarsrecht. Hij keek door een bril van bloed. Zijn blik was gering. Zijn kin was geslepen tot een bokkebaard van grijs. Zijn knookhand bood geen druk, maar wat blinkends.
– Hier is je sleutel. De leraarskamer is boven, dat komt later. Ik moet je iets zeggen, iets meer dan ik vroeger al zei. Loop even mee. We beginnen dadelijk.
De directeur trad recht, snel, licht door de gangen van het gebouw dat lag om de hof. Aan het eind keerden zij om en gingen terug, en zo enige malen. In de hal tochtte het hun telkens vervaarlijk tegen. De deuren waren open, de bevolking kwam binnen. De scholieren kwamen langs en groetten zonder hoffelijkheid, zoals jongens groeten. Zij zagen het niet.
De directeur tutoyeerde ongevraagd, niet uit familiariteit, uit gezag. De Bree merkte het nauwelijks op.
Bint zei, wijzend omlaag:
– Je eerste les is in die klas. Die klas is uniek. Zo een heb ik nog nooit kunnen vormen, vóór deze. Maar geen bespiegelingen nu. Ik houd van weinig woorden…
Naar mijn hart gesproken, dacht De Bree.
– Die klas heeft je voorganger weggetreiterd. Ik waarschuw je niet, ik maak je attent. Begrijp je?…
Hij begreep het toen niet, eerst later.
– Ik eis van ieder: tucht. Ik ben hoogst modern. De tijd is voorbij van gemoedelijkheid, van verbroedering. Dit geslacht is tè bandeloos.
De bel was gegaan, de school was stil geworden. Zij liepen nog even. De Bree’s klas stond open. Hij loenste er heen door de trapkoker. Hij zei niets.
– Men moet de cirkelgang durven gaan. Er is snelle verwildering. Men moet ver teruggrijpen en snel, naar het oude systeem van macht en van vrees. Dit oude is het nieuwste, het beste, het enige. Ik eis: een-stalen-tucht. Nu ga.
De directeur, recht, snel, met lichte tred verdween waar de gang elboogde.
De Bree ging rustig langzaam de acht gesleten treden af. Hij verwerkte, maar liet niets merken. Hij betrad de klas genaamd 4D. Hij voelde snel, want hij had fantasie. Hij voelde dit aan als een hel, als de hel. Hij betrad de hel.

De hel

Op het podium was een tafel en een stoel. De tafel was haarfijn geplaatst aan den rand. De Bree verzette haar tot veiligen stand, voelde tersluiks aan den stoel, ging zitten naast de tafel, greep daarvan achteloos een blad papier met namen.
Dit moest een kelder geweest zijn. Er was één wand met vier hooge kleine ramen. Zij waren van gewapend matglas, ijzerstaven nog ervoor. Daarlangs gleden de onderkanten van menschen buiten, daarlangs stootte hortend de wind. Het licht was aan, rood, somber.
De klas zat stil in afwachting. Zij liep omhoog naar den overmuur, met sterke stijging. De Bree zat lang en onvoordeelig. Allen keken hem aan. De meesten keken op hem neer. Het oog van een enkele dwaalde even naar de ramen met den wind. De Bree onderscheidde nog niet veel. Er waren wel vreeselijke gezichten. Er was één vrouw.
De Bree deed zijn oogen van het papier gaan. Hij keek tegen de klas. Hij grijnsde, zonder lach, zijn mond stond vol sterke bruine tanden. Hij wachtte wel een minuut. Hij liet de deur open. Toen ging hij lezen.
– Whimpysinger – de Moraatz – Neutebeum – Nittikson – Surdie Finnis – te Wigchel – Kiekertak – Taas Daamde …
Wat een namen, dacht hij. Het antwoord: Ja, present, kwam aarzelend.
– Peert – Punselie – Bolmikolke – Klotterbooke … Hij hield den plattegrond der klas ver van zich af, of hij het anders niet lezen kon. Hij spelde de namen opzettelijk langzaam en moeilijk. Het moeilijk antwoorden bleef.
Hij legde den plattegrond naast zich neer. Hij grijnsde breeder nog, zonder lach. Hij stond op, zette den stoel àchter de tafel, en nam weer plaats. Hij keek zwijgend tegen de klas aan, in afwachting.
Hij zei:
– Dat jullie door elkaar zit en verkeerde namen opgeeft beschouw ik niet als een kinderachtigheid. Net zoo min als wat jullie daarnet hebt uitgehaald met deze tafel.
Hij legde zijn armen erop, en wipte even op zijn stoel vooruit, volkomen thuis. De klas wachtte stil af.
– Jullie bent te groot voor iets kinderachtigs. Daarom, ik beschouw dit als vijandschap, twee stellige blijken van vijandschap. Jullie wilt oorlog. Het zal oorlog tusschen ons zijn, zonder ophouden, het geheele schooljaar door.. Hij wachtte even en keek keurend rond. Hij moest er nu ineens doorheen. Hij vertrouwde op zijn kracht en wenkte:
– Kom jij hier.
Zijn woord had indruk gemaakt. Een gorilla zwaaide sloom op hem toe.
– Geef je hand … Nee, die is te vuil … je linker. Ze gaven elkaar de linkerhand.
– Knijp.
De Bree zelf kneep onmiddellijk hard. De jongen kneep onmiddellijk terug uit alle macht. Hij was heel sterk, maar hij was een jongen. Ze knepen zwijgend en zonder beweging, de jongen staande, de man gezeten.
De Bree’s niet groot, athletisch lijf bezat een macht van kracht. De ander werd bleek in zijn donkere gezicht, zijn voorhoofd ging glinsteren, maar hij bewoog zich niet en hij gaf geen geluid. De Bree bleef lachloos grijnzen, verachtelijk.
Dapper jog, dacht hij.
Zijn kracht was nog niet verbruikt. Hij schroefde aan. De jongen deed het eene been tegen het ander. Zijn buik trok in. De klas zag het en bleef stil. Toen liet hij los. De hand viel geel neer, het monster zwaaide terug in de bank.
– Deze handdruk, zei de Bree, is onze oorlogsverklaring, niet tusschen hem en mij, maar tusschen mij en de klas. Ik zit voortaan hier, àchter de tafel, mijn vesting. Storm nu maar aan, ik weet wie de sterkste is.
De klas zweeg.
– Mijn voorganger is hier weggepest. Jullie denkt natuurlijk dat je mij dat ook kunt leveren: een nieuwe leeraar, een tijdelijke nogal. Je vergist je, het zal niet lukken. Ik zou jullie gemakkelijk stuk voor stuk kunnen fijnknijpen. Niet uit kwaadheid, God nee, maar omdat ik dat nu es zou willen. Verduiveld jammer alleen maar, dat het niet mag …
Een roofvogel, ergens vanuit het midden, vroeg plots krijschend, zonder opsteken:
– Meneer, mag die deur dicht!
De Bree was hierop niet gevat. Hij beheerschte zich, trok zijn wenkbrauwen op, keek met voordacht flets naar den vrager, toen weer weg. Hij schudde zijn hoofd:
– Jullie kùnt me niet kwaad maken. Jullie zult nooit iets van boosheid zien. Ik ken geen andere straf dan schoolblijven en wegjagen. Ik geef je nu gelegenheid op je plaats te gaan zitten.
Er kwam beweging. Stommelend, klotsend groepeerde de klas zich anders. De gier vloog hoog de volière in. Hij tuurde weer op het plan. Toen ging zijn oog zoekend rond. Het rustte op een granietig wezen, klein, in een groote bank alleen, vooraan op zij. Zijn vinger wees onbeweeglijk:
– Jij vraagt den directeur hier te komen.
Het sfinxig wezen strompelde klein, traag uit de bank, en zwaar de trap op. Alles kwam er nu op aan of het Bint zou meebrengen. Achterin wisselden er twee nog snel van plaats. Hij zag het niet. De lichte tred van den directeur klonk in de gang, het kleine wezen zwaar er achter, en langzaam in de bank.
– Meneer, zei de Bree, en hield het oog fel op de klas, terwijl hij het plan reikte, wilt U mij even zeggen of ieder zit op de plaats die hem is aangewezen?
Bint keek even over de klas, niet op het plan, reikte het plan zwijgend, ging.
De Bree prentte zich alle gezichten en namen in. Dit mocht nooit meer gebeuren. Hij nam zijn opschrijfboekje.
– Degenen van wie ik de namen noem komen hier morgen terug van twee tot zes.
Er was lichte beweging. Hij keek en het was weer stil. Hij deed alles uiterst langzaam, bestudeerde het plan, de klas, minuten lang. Zijn geluid klonk als een vonnis: – Ten Hompel – Heiligenleven …
De twee die op het laatst verwisseld hadden.
– Van der Karbargenbok …
De roofvogel sloeg een klauw uit.
– Ja?
– Meneer, mag de deur dicht!
– Van der Karbargenbok komt ook Zaterdag terug van twee tot zes.
– Dan is mijn vader jarig.
Er was gesmoord proesten.
– Van der Karbargenbok komt Zaterdag terug van twee tot zes en van zeven tot tien.
Het ging voorzichtig rumoeren. Hij rees half achter de tafel, en sloeg daarop eenmaal zacht met de hand.
– Stil.
Hij fluisterde het vervaarlijk, met langen sis-s. Zijn korte hals zette zich uit tot een boomvoet met zware wortels. Er kwam iets nieuws in zijn oog, hij voelde het zelf. Hij sloeg den storm neer.
– Wie zich meer beweegt dan mij lief is blijft.
Hij zat onvoordeelig, zoo in de diepte tegen de steil oploopende klas aan. Hij had haar echter, meende hij, eronder. Hij legde zijn horloge voor zich, lette op den tijd. Hij gaf geen les, keek naar de klas, de klas naar hem. Hij schreef nog een paar namen op. De klas was redelijk stil, gespannen stil. Het meeste gerucht kwam van den wind. De deur bleef open, de klas werd koud. Tegen het eind stopte hij met overleg een korte pijp. De klauw ging weer omhoog.
– Meneer, is het nog altijd oorlog?
Hij lette niet op het gegrinnik. Hij grijnsde zelf, kauwde tweemaal dreigend.
– Ik draag den scholier van der Karbargenbok aan den directeur voor …
Hij wachtte.
– … om van de school te worden verwijderd voor vier dagen met nader op te geven strafwerk.
De bel ging. Toen hij boven was brak een duivelend geluid achter hem los. Het ging hem niet meer aan. In gedachten wreef hij zich de handen: niet kwaad voor een eerste uur. Hij ontmoette Bint. Bint zei niets, betuigde geen goedkeuring. De Bree had het niet noodig. Er waren acht namen in zijn opschrijfboekje.

(Uit: Bordewijk, Bint. In: De Gemeenschap. Jaargang 10. De Gemeenschap, Bilthoven 1934)

Print Friendly