Lanseloet van Denemerken

Hoofs liefdespaar

In de veertiende eeuw worden in de steden veel toneelstukken opgevoerd, die een literaire waarde hebben. In eerste instantie waren de toneelstukken gebaseerd op bijbelse verhalen, maar langzamerhand werden ook steeds meer wereldlijke zaken op het toneel vertoond.

Abele spelen zijn daar een voorbeeld van. Dat zijn gedramatiseerde verhalen over ridders, waarbij niet één ridderverhaal werd vertaald of bewerkt, maar de thema’s en motieven van ridderverhalen in het algemeen een nieuw verhaal vormen. Voorbeelden van abele spelen zijn Esmoreit, Gloriant en Lanseloet van Denemerken.

Lanseloet van Denemerken is overgeleverd in het Hulthemse handschrift, een verzameling teksten in het Middelnederlands uit ongeveer 1410. Uit de volgorde in het handschrift blijkt dat serieuze abele spelen gevolgd werden door een komische uitsmijter: kluchten of sotternieën.

Samenvatting

Lanseloet van Denemerken is verliefd op Sanderijn, een dienares van zijn moeder. De liefde is wederzijds, maar Sanderijn wijst Lanseloet af, omdat ze vanwege hun verschil in stand nooit zullen kunnen trouwen.

Sanderijn vertelt het verhaal van de valk die een bloem uit de boom plukt.

Lanseloets moeder ziet deze liefde met lede ogen aan. Zij zint op een middel om er een eind aan te maken: Lanseloet moet doen of hij ziek is, Sanderijn zal dan naar zijn kamer gaan om hem te verzorgen; nadat hij de nacht met haar heeft doorgebracht, moet hij Sanderijn wegsturen met de mededeling dat hij genoeg van haar heeft. Lanseloet sputtert tegen, maar stemt toe, zich zelf sussend met de overweging dat er wel eens vaker woorden gesproken worden die niet gemeend zijn.

Maar dat pakt verkeerd uit: na de vernedering ontvlucht Sanderijn het hof en zelfs het land. In den vreemde ontmoet ze in een bos een jagende ridder die meteen verliefd wordt op haar en haar ten huwelijk vraagt. Sanderijn vertelt hem dan van de bloeiende boom waar een valk op neerdaalt om er een bloem van te plukken. Ze vraagt hem, of hij vindt dat die boom daar nu minder om is. Hij begrijpt deze symboliek en voert haar naar zijn kasteel.

Lanseloet, in Denemarken, is de wanhoop ten prooi. Hij stuurt zijn dienaar Reinout om Sanderijn te zoeken. Die vindt haar en heeft een gesprek met haar, maar ze wijst Lanseloets huwelijksaanzoek af.

Om Lanseloet voor een voldongen feit te stellen, waar hij waarschijnlijk in berusten zal, vertelt Reinout hem niet dat Sanderijn getrouwd is, maar dat ze gestorven is van verdriet. Daarop barst Lanseloet uit in geweeklaag en vervloekt hij zijn moeder. Dat alles is hem te veel en hij sterft.

Fragment

Nadat de ridder Sanderijn ten huwelijk heeft gevraagd, vertelt zij hem het verhaal van de valk en de bloeiende boom. Lees hieronder het verhaal en de reactie van de ridder.

Die ridder:
O scone maghet, nu ga wi dan,
Ic sette (geef) u mijn trouwe te pande (onderpand).

Sanderijn:
Nu ga wi dan in dese warande (tuin),
Her ridder, spreken alluttelkijn (een korte tijd),
Ende verstaet die redene mijn (probeer me te begrijpen),
Dies biddic u, hoghe geboren baroen.
Anesiet desen boem scone ende groen,
Hoe wel dat hi ghebloyet (in bloei) staet;
Sinen edelen roke (geur), hi doer gaet (verspreid zich over)
Al omme desen bogaert al;
Hi staet in soe soeten (liefelijk) dal,
Dat hi van rechte (uiteraard) bloyen moet;
Hi es soe edel ende soe soet,
Dat hi versiert al desen bogaert.
Quame nu een valcke van hogher aert (afkomst)
Ghevloghen op desen boem, ende daelde,
Ende ene bloeme daer af haelde,
Ende daer na nemmermeer neghene
Noch noit en (en ook niet) haelde meer dan ene,
Soudi den boem daer omme haten
Ende te copene daer omme laten?
Dat biddic u, dat ghi mi segt,
Ende die rechte (oprechte) waerheit sprect,
Edel ridder, in hovescher tale.

Die ridder:
Scone wijf, ic versta u wale.
Ene bloeme dat en es niet (niets),
En esser nemmeer toe ghesciet (als het daarbij is gebleven);
Daer omme en salic den boem niet haten
Noch te copene daer omme laten,
Want hi es soe scone ghedaen (schoob van uiterlijk).
Ic sie daer op soe meneghe bloeme staen
Met groten hopen sonder ghetal (ontelbaar),
Daer edel vrucht af comen sal,
Op dat (indien) god ghedoghen (toestaan) wille.
Nu ewelijc hier af een ghestille (het zwijgen hierover),
Ende comt met mi, wel scone wijf.

Als Reinout Sanderijn vindt, vertelt zij ook hem een variant van het verhaal van de valk en de boom.

Sanderijn:
Reinout, dat sal u ghescien.
Ic sal u gheven prinsepael (uitstekend)
Een licteken (bewijs) proper ende noyael (passend en edel).
Ghi selt segghen den ridder vri,
Dat wi stonden, ic ende hi,
In enen sconen groenen bogaert,
Ende dat daer quam van hogher aert (afkomst)
Een edel valcke van hogher weerde (aanzien),
Ende beete (daalde) neder op ene gheerde (tak)
Die scone met haren bloemen stoet.
Dit seldi segghen den ridder goet,
Ende dat die valke, die daer quam,
Ene bloeme van dier gheerden nam,
Ende alle die anderen liet hi staen.
Sine vlerken ghinc hi van hem slaen
Ende vloech wech met haesten groet.
Dit seldi seggen den edelen genoet (prins),
Ende cort (snel) soe quam die valke daer weder
Ende sochte die geerde op ende neder (overal),
Maer hi en mochse (kon haar) vinden niet.
Dies doeghde (daarom had) die valke wel swaer verdriet,
Dat hi die gheerde dus niet en vant.
Dit seldi segghen den coenen wigant (dappere held).
Hi sal wel gheloven van dien (daardoor),
Dat ghi mi ghesproken hebt ende gesien,
Als ghi hem dese tale (dit verhaal) ontbint.
Nu hebbic mine woorde gheïnt (beëindigd),
Reinout, god moet (zal) u bewaren.

Reinout:
Ay god here, nu moetic varen (gaan)
Ende die scone vrouwe achterlaten!
Nu benic beraest (in verlegenheid) uter maten,
Hoe ic mine boetscap seggen sal.
Seggic hem die waerheit al,
Dat si noch leeft ende es ghehout,
Ic weet wel, dat ons allen rout (wij er allen spijt van krijgen):
Hi sal willen hebben dat scone wijf.
Ic weet wel, het cost hem dlijf (het leven),
Ende al den ghene, die hem bestaen (verwant zijn)
Ende ten tienden lede anegaen (en tot in de tiende graad verwant zijn),
Sal hi daer omme avonturen (op het spel zetten).
Daer sal die meneghe om besueren (sterven)
Die bitter doot, dat wetic wel te voren;
Nochtan bleve die aerbeyt al verloren (vergeefs),
Want hi en mochse ghewinnen niet (zou haar niet kunnen krijgen);
Hi soude hem selven int verdriet
Bringhen ende oec groten heren.
Ic sal mine tale wel keren (het verhaal een draai geven)
Ende sal segghen, dat si es doot.
Waer sidi, hoghe gheboren ghenoet (prins),
Van Deenmerken her ridder stout (dapper)?

Print Friendly