Antwerps liedboek

Oude liedekens uit het Antwerps Liedboek (1544)

Het Antwerps liedboek, in 1544 verschenen onder de titel ‘Een schoon liedekens-boeck’, is het oudste wereldlijke liedboek dat bewaard is gebleven. Het werd in Antwerpen, het toenmalige centrum van de boekdrukkunst, gedrukt door meesterdrukker Jan Roulans, die de liederen vermoedelijk zelf heeft verzameld of laten verzamelen, en ze in alfabetische volgorde (van de beginregel) heeft afgedrukt.

Het boekje werd uitgevoerd in handzaam oblong-formaat, zonder melodieën of afbeeldingen en met zeer dicht bedrukte pagina’s. De melodieën konden de meeste gebruikers waarschijnlijk uit hun herinnering oproepen met behulp van de aanduidingen ‘Na de wise van…’ en ‘Stemme…’.

Het boekje uit 1544 was waarschijnlijk een derde druk, wat op te maken valt uit een driedeling in de alfabetische volgorde. Hoewel het een hoge oplage gehad moet hebben, is er slechts één exemplaar van bekend. Een oorzaak daarvan is wellicht dat het in 1546 op de Index van verboden boeken werd geplaatst, vanwege de lichtzinnige liefdesliederen en kritiek op misstanden in sommige liederen.

Replica van de titelpagina van het Antwerps liedboek uit 1544.

Een oudt liedeken

Die voghelkens inder wilder heyden
Si hebbent so wel ghesonghen
Ick ben van mijnen soeten lieve
So ruyterlijcken gedrongen
Si meynt dat ick haer eyghen ben
Ende is si dan niet slechte
Ick en mach niet meer ter molen gaen
Hillen billen metten iongen knechten
stampt stamperken stampt stampt hoerekint stampt
Stampt stamperkin inde molen

Ic en can mi voor dese ionge gesellen niet gehoeden
Ende dan so coemt dat oude wijf
Si wil daer omme verwoeden
Om dat si niet gemaken en can
Daer omme so wil si vechten
Ick en mach niet meer ter molen gaen
Hillen billen metten ionghen knechten
Stampt stamperken stampt stampt etc
Stampt stamperken inde molen

Die een goede nieuwe molen heeft
Och hoe wel mach hijse malen
Wanneer hijse wel ghemalen heeft
So leyt wel also stillen
Den oppersten steen die gaet of
Den ondersten blijft in zijn rechten
Hillen billen metten ionghen knechten
Ick en mach niet meer ter molen gaen
Stampt stamperken stampt stampt etc
Stampt stamperken inde molen

Hi nam dat meysken bider hant
Hi leydese aen die die steene
Hi steldese op dat cuypen boort
Hi haddese daer alleene
Dat een been stelde hi op den sack
Dat ander been al op die lechte
Ick en mach niet meer ter molen gaen
Hillen billen metten ionghen knechten
Stampt stamperken stampt stampt etc
Stampt stamperken inde molen

Droefheid en melancholie verdrijven

De bundel bevat verschillende soorten liederen, 221 in totaal, oud en nieuw, bedoeld om droefheid en melancholie te verdrijven, zoals de titelpagina meldt; liefdesliederen, drinkliederen, dansliederen, historieliederen, et cetera. Bij de liederen werd een onderscheid gemaakt tussen oudt en nyeu. Wat Roulans exact onder ‘oudt’ verstond, weten wij niet, maar vermoedelijk was dat vijftiende-eeuws of nog ouder. Sommige van de liederen in deze bundel, zoals de klassieker ‘Het daghet in den oosten’ kunnen tot de oudste wereldlijke liederen uit het Middelnederlandse taalgebied gerekend worden.

‘Het daghet inden Oosten
Het lichtet overal;
Hoe luttel weet mijn liefken,
Och, waer ick henen sal.’

‘Och warent al mijn vrienden
Dat mijn vianden zijn,
Ick voerde u uuten lande,
Mijn lief, mijn minnekijn.’

‘Dats waer soudi mi voeren,
Stout ridder wel gemeyt.
Ik ligge in myns liefs armkens,
Met grooter waerdicheyt.’

‘Ligdy in uws liefs armen?
Bilo, ghi en segt niet waer:
Gaet henen ter linde groene,
Versleghen so leyt hi daer.’

Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinc eenen ganck
Al totter linde groene,
Daer si den dooden vant.

‘Och, ligdy hier verslaghen,
Versmoort al in u bloet!
Dat heeft gedaen u roemen
Ende uwen hoogheb moet.

Och, lichdy hier verslaghen,
Die mi te troosten plach!
Wat hebdy mi ghelaten
So menighen droeven dach.’

Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinck eenen ganck
Al voor haers vaders poorte,
Die si ontsloten vant.

‘Och, is hier eenich heere
Oft eenich edel man,
Die mi mijnen dooden
Begraven helpen can?’

Die heeren sweghen stille,
Si en maecten gheen geluyt;
Dat meysken keerde haer omme,
Si ghinc al weenende uut.

Si nam hem in haren armen,
Si custe hem voor den mont,
In eender corten wijlen,
Tot also menigher stont.

Met sinen blancken swaerde
Dat si die aerde groef,
Met haer snee witten armen
Ten grave dat si hem droech.

‘Nu wil ic mi gaen begeven
In een cleyn cloosterkijn,
Ende draghen swarte wijlen,
Ende worden een nonnekijn.’

Met hare claer stemme,
Die misse dat si sanck,
Met haer snee witten handen
Dat si dat belleken clanck.

(Bron: Klassieke literatuur. Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen tot en met de Tachtigers)

Print Friendly